Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Geelborstapalis

Geelborstapalis | Apalis flavida

Yellow-Breasted Apalis | Apalis Pechigualdo

De geelborstapalis is een klein, langstaartig zangertje met een grijze kop, groene rug en een heldergele band over de borst, dat in paartjes door het bladerdek van bosveld en oeverbos trekt. Het is de meest verbreide apalis van het gebied en vaak eerder te horen dan te zien: man en vrouw zingen een snel, zoemend duet.

Geelborstapalis (Apalis flavida)
Foto: https://www.flickr.com/photos/dkeats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een snel herhaald, zoemend tsjizzik-tsjizzik-tsjizzik of krrrip-krrrip, waar het vrouwtje met een hoger, sneller tie-tie-tie tussendoor zingt, zodat één doorlopend duet ontstaat. Alarmroep een droog, ratelend tsjrrr. Zingt het hele jaar, het meest in het broedseizoen van september tot januari.

Luister: ZangXC939859

Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, waarvan bijna de helft staart. Kop en achterhals grijs, de rest van de bovendelen olijfgroen; de staart is groen met gele tot lichte punten aan de buitenste pennen. Keel wit, daaronder een brede heldergele borstband, de buik wit met een grijze waas op de flanken. Het mannetje heeft midden op de gele band een klein zwart vlekje, dat bij het vrouwtje ontbreekt of heel klein is. Iris lichtbruin tot oranje, snavel zwart, poten roze. Jonge vogels zijn doffer, met een groenere kop en een vagere borstband. Houdt de staart vaak opgewipt en beweegt snel door het loof.

Verwarrings­soorten

De halsbandapalis Apalis thoracica heeft een smalle zwarte band over de witte of gelige borst in plaats van een gele band, een lichte iris en witte buitenste staartpennen, en leeft vooral in bergbos en kustbos. Rudds apalis Apalis ruddi van Maputaland en Zuid-Mozambique heeft een smalle zwarte halsband, een lichte streep voor het oog en geen gele borst. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis heeft geel op de buik in plaats van de borst, een korte staart en een donkere oogstreep. Kortstaartige krombekken en camaroptera's missen de grijs-groen-gele combinatie volledig. Het zoemende duet en de gele band tussen witte keel en witte buik maken de geelborstapalis in het veld zeker.

Leefgebied

Loofrijk bosveld, oeverbos langs rivieren, randen van laaglandbos, dichte acacia- en gemengde savanne, tuinen en plantages met hoge bomen. Foerageert in paartjes of kleine familiegroepjes in de middelste en hogere laag van het bladerdek op insecten en larven, vaak in gemengde foerageergroepen met krombekken, eremomela's en mezen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in het noorden en oosten van het gebied: in het noorden, westen en midden van Angola, in vrijwel heel Zambia, Malawi en Mozambique, in Zimbabwe (behalve het hoge middenplateau, waar schaarser), in het noorden van Botswana (Okavango en Chobe) en de Zambezi-regio van Namibië, en in het oosten van Zuid-Afrika (Limpopo, het laagveld van Mpumalanga en het noorden en oosten van KwaZulu-Natal) en Eswatini. Daarbuiten van Sierra Leone oostwaarts door de savannegordel tot Ethiopië en Somalië, en zuidwaarts via Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; goed te vinden in het oeverbos van het Krugerpark, langs de Zambezi en de Chobe, en in het laagland van Eswatini. Luister naar het zoemende duet hoog in een geelhoutboom of acacia en wacht tot een van beide vogels naar de rand van het bladerdek komt; de gele borstband is van onderen het eerst te zien. Bij pishing komen paartjes vaak dichterbij.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen tot vrij algemeen in een groot areaal, en goed bestand tegen matige verstoring zolang er bomen met een gesloten kroon blijven staan. Plaatselijk achteruit waar oeverbos gekapt wordt.

Wetenschappelijke naam

Apalis flavida | (Strickland, 1853)

Strickland beschreef de soort in 1853 als Drymoeca flavida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apalis werd in 1833 ingevoerd door Swainson. Apalis komt van het Griekse hapalos, 'teer, sierlijk' — naar deze slanke, fijn gebouwde zangertjes. flavida is Latijn voor 'geelachtig', naar de gele borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië (mogelijk in werkelijkheid Ngamiland, Botswana).