Alle soorten › Zangvogels › Batissen en lelogen › Geelbuiklelvliegenvanger

Geelbuiklelvliegenvanger | Platysteira concreta

Yellow-Bellied Wattle-Eye | Batis Carunculado Ventrigualdo

De geelbuiklelvliegenvanger is een piepkleine, kortstaartige lelvliegenvanger van de ondergroei van vochtig bos, met een grote lichtgroene lel rond het oog. In het gebied leeft alleen de Angolese vorm, op het beboste escarpement in het westen van Angola, waar hij tot de gezochte specialiteiten van Kumbira en Gabela behoort.

Geelbuiklelvliegenvanger (Platysteira concreta)
Foto: Zieger M — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks heldere, snel herhaalde fluittonen, soms met een ratelend of kwakend element, en harde klikken en snorrende vleugelgeluiden in de vlucht. Vaak moeilijk te lokaliseren in dichte begroeiing.

Luister: ZangXC1052736

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm, gedrongen met een zeer korte staart. De bovenzijde is donker olijfgroen, met een donkerdere kop, de onderzijde helder geel. Bij de Angolese vorm hebben keel en borst een kastanjebruine tot oranjeroestige tint, bij het vrouwtje uitgebreider dan bij het mannetje. Rond het oog zit een grote, lichtgroene tot blauwgroene lel die in het halfdonker goed opvalt. Jonge vogels zijn doffer, met een kleinere lel.

Verwarrings­soorten

De witstuitlelvliegenvanger Dyaphorophyia castanea is even gedrongen, maar zwart, grijs, wit en kastanjebruin, zonder geel, en heeft een paarse lel. Andere lelvliegenvangers zoals de bruinkeellelvliegenvanger Platysteira cyanea zijn zwart-wit met een rode lel en een langere staart. De hylia Hylia prasina is ook groen, maar heeft een lange gele wenkbrauwstreep en geen lel.

Leefgebied

De ondergroei en lagere lagen van vochtig altijdgroen bos, vooral dicht, schaduwrijk bos in ravijnen en langs beken op het escarpement, en ook bos met oude koffie onder schaduwbomen waar de ondergroei intact is. Foerageert op insecten, meestal alleen of in paren, soms in gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het westen van Angola, op het escarpement van Cuanza Sul rond Gabela en Kumbira en plaatselijk in Cuanza Norte. Daarbuiten zeer verspreid in het regenwoud van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone tot het Albertine-rift en het westen van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Het Kumbirabos bij Conda is de beste plek. Loop langzaam door dicht bos en luister naar de fluitreeksen en het vleugelgesnor; de vogel zit laag en stil, en de groene oogwatel is vaak het eerste wat opvalt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de IUCN voert de soort onder de oudere naam Dyaphorophyia concreta. De soort is over het hele areaal schaars en versnipperd. In Angola is het escarpementbos sterk achteruitgegaan door kap voor landbouw en houtskool en het opruimen van de ondergroei in koffieplantages, zodat de lokale populatie kwetsbaar is.

Wetenschappelijke naam

Platysteira concreta | Hartlaub, 1855

Hartlaub beschreef de soort in 1855 als Platystira concreta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Platysteira werd in 1830 ingevoerd door Jardine & Selby. Platysteira komt van het Griekse platus, 'breed', en steira, 'kiel van een schip' — naar de brede, afgeplatte snavel. concreta is modern Latijn voor 'groot, stevig, sterk', van het Latijnse concretus, 'hard, verdikt' (van concrescere, 'aangroeien'). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guinee (West-Afrika); later beperkt tot Ghana.