Alle soorten › Spechtachtigen › Afrikaanse baardvogels › Geelkeelketellapper

Geelkeelketellapper | Pogoniulus subsulphureus

Yellow-Throated Tinkerbird | Barbudito Gorjigualdo

De geelkeelketellapper is een piepkleine zwart-gele baardvogel van het laaglandregenwoud van West- en Centraal-Afrika, die het gebied alleen in het uiterste noorden van Angola bereikt. Hij houdt zich hoog in het bladerdak op en verraadt zich vrijwel uitsluitend door zijn eindeloze reeks tokkende roepen.

Geelkeelketellapper (Pogoniulus subsulphureus)
Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, snelle en regelmatige reeks tokkende noten, pop-pop-pop-pop-pop, die minutenlang kan aanhouden en sneller is dan de roep van de geelstuitketellapper. Daarnaast een korte, droge tril.

Luister: ZangXC1137833

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 9–10 cm, gedrongen met een korte staart en een korte, dikke zwarte snavel. Bovendelen glanzend zwart met een citroengele stuit en gele randen aan de vleugelpennen. Door het zwarte gezicht lopen twee gele strepen: een wenkbrauwstreep vanaf de snavelbasis en een bredere streep onder het oog, gescheiden door een zwarte oogstreep. De keel is helder geel, de rest van de onderdelen grijsachtig olijfgroen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en hebben een lichtere snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De geelstuitketellapper (Pogoniulus bilineatus) heeft witte in plaats van gele gezichtsstrepen en een witachtige keel, en roept in korte groepjes in plaats van in een doorlopende reeks. De roodstuitketellapper (Pogoniulus atroflavus) is groter, heeft een rode stuit en een gele buik. In het dichte bladerdak is het geluid vaak doorslaggevender dan de keelkleur.

Leefgebied

Vochtig laaglandregenwoud en oudere secundaire bossen, bosranden en open plekken met hoge bomen. Foerageert hoog in het bladerdak op kleine vruchten, vooral maretakbessen, en op insecten. Hakt zelf een nestholte uit in een dode tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het regenwoud van het noorden van Angola, vooral Cabinda en het noordwesten van het vasteland. Verder van Sierra Leone en Guinee via Nigeria en Kameroen door het Kongobekken tot in het westen van Oeganda.

Hoe en wanneer kijken

Een zoeksoort voor wie het noorden van Angola bezoekt. Ga af op de doorlopende reeks roepen en zoek dan de toppen van vruchtdragende bomen en maretakken af. De vogel zit vaak lang stil op een kale tak in het bladerdak, zodat een telescoop goede diensten bewijst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het Centraal-Afrikaanse regenwoud algemeen. In het gebied klein en perifeer, afhankelijk van de resterende bossen in het noorden van Angola, die door houtkap en landbouw krimpen.

Wetenschappelijke naam

Pogoniulus subsulphureus | (Fraser, 1843)

Fraser beschreef de soort in 1843 als Bucco subsulphureus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pogoniulus werd in 1842 ingevoerd door De Lafresnaye. Pogoniulus is een verkleinvorm van Pogonias, van het Griekse pōgōnias, 'gebaard' — dus 'baardvogeltje', passend bij deze kleinste baardvogels. subsulphureus is Latijn voor 'enigszins zwavelgeel' — naar de lichtgele keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malabo (Clarence), Bioko, Equatoriaal-Guinea.