Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Geelsnaveleend

Geelsnaveleend | Anas undulata

Yellow-Billed Duck | Ánade Picolimón

De geelsnaveleend is de algemene grote grondeleend van zuidelijk Afrika, op elke dam en vlei te vinden. Hij is geschubd grijsbruin, met een felgele snavel waarop een zwarte zadelvlek ligt, en vervult hier de rol die de wilde eend in Europa heeft.

Geelsnaveleend (Anas undulata)
Hoofdfoto · Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Het vrouwtje geeft een luide, aflopende kwaakreeks, kwaak-kwaak-kwak-kwak, zoals bij de wilde eend; het mannetje een zacht, raspend rhaeb en een fluittoon bij de balts.

Luister: RoepXC1173587

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–58 cm. Het verenkleed is donker grijsbruin met lichte randen aan alle veren, wat een geschubd patroon geeft; de kop is fijner gestreept en iets donkerder. De snavel is helder geel met een zwarte vlek op de rug en een zwarte nagel; de poten zijn bruinzwart. In de vlucht een glanzend groene tot blauwgroene spiegel met een zwarte en een witte rand aan voor- en achterkant, en een witte vleugelondervlakte. De seksen lijken op elkaar; het mannetje is groter met een iets fellere snavel.

Verwarrings­soorten

Hybriden met de wilde eend Anas platyrhynchos zijn het belangrijkste probleem: die hebben een doffere, groenig gele of oranje snavel met een onregelmatige vlek, vaak een groenige glans op de kop, een lichtere staart of krullende staartveren. De Afrikaanse zwarte eend Anas sparsa is zwartachtig met witte rugvlekken en een grijze snavel. De Kaapse slobeend Spatula smithii heeft een zware zwarte spatelsnavel.

Leefgebied

Vrijwel elk zoet water: dammen, stuwmeren, rivieren, vleien, pannen, rioolwaterbekkens en vijvers in parken, bij voorkeur met open water en oevervegetatie. Grondelt naar zaden, waterplanten, wortels en ongewervelden en graast op oevers en in akkers, vooral op gevallen graan. Buiten de broedtijd ruien grote groepen op stuwmeren, waar ze tijdelijk niet kunnen vliegen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied: zeer algemeen in Zuid-Afrika (vooral het hoogveld en de Westkaap), Lesotho en Eswatini, verder in Zimbabwe, Botswana, Namibië, Zambia, Malawi, het westen van Mozambique en de hoogvlakten van Angola; schaars in de droogste delen van de Karoo, de Kalahari en de Namib. Buiten het gebied met een noordelijke ondersoort in Oost-Afrika tot Ethiopië en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond op vrijwel elke dam en rioolwaterzuivering, vaak in paren of groepjes langs de oever. Kijk bij de snavel goed naar de zuiverheid van het geel en de scherpte van de zwarte vlek, zeker in steden en parken waar hybriden met wilde eenden voorkomen. In de winter liggen op grote stuwmeren soms honderden vogels bij elkaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in grote delen van het gebied talrijk. De grootste bedreiging is genetische vermenging met verwilderde wilde eenden, vooral rond steden in Zuid-Afrika; daarnaast wordt de soort bejaagd en plaatselijk als schadelijk beschouwd op graanvelden.

Wetenschappelijke naam

Anas undulata | Dubois, 1839

Dubois beschreef de soort in 1839 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. undulata is Latijn voor 'gegolfd', naar de fijne golflijntjes op het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.