Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Gestreepte pieper

Gestreepte pieper | Anthus lineiventris

Striped Pipit | Bisbita Rayado

De gestreepte pieper is de grootste en zwaarst gestreepte pieper van het gebied, een bewoner van beboste, rotsige hellingen. Vaker gehoord dan gezien: de luide, lijsterachtige zang schalt vanaf een rotsblok of een kale tak over de kloof.

Gestreepte pieper (Anthus lineiventris)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid, vol en melodieus, eerder lijsterachtig dan pieperachtig: een reeks herhaalde fluittonen, tsjrie-tsjrie-tsjoe-tsjiep, voorgedragen vanaf een rots of tak, soms in de vlucht. De roep is een kort tsjep.

Luister: ZangXC755414

Opname: Lars Lachmann — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een forse, zware pieper van 17 tot 18 cm met een stevige snavel. De bovendelen zijn olijfbruin met donkere strepen; de randen van de vleugeldekveren en slagpennen zijn geelgroen en vormen een olijfgeel vleugelpaneel. De witte wenkbrauwstreep is duidelijk, de keel wit met een donkere baardstreep. Borst en flanken dragen dichte, zwarte lengtestrepen die tot ver op de buik doorlopen, het beste kenmerk. De buitenste staartpennen zijn wit. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn wat warmer bruin. Loopt tussen rotsen en vliegt bij verstoring naar een boom.

Verwarrings­soorten

De langsnavelpieper (Anthus similis) heeft slechts een vage streping op de borst en een ongestreepte buik, en buffkleurige buitenste staartpennen. De kopjespieper (Anthus crenatus) is vrijwel ongestreept en leeft op kale rotshellingen in open grasland. De bospieper (Anthus nyassae) van miombobos is lichter gestreept op de borst, zonder strepen op de buik. Geen andere pieper combineert zware borst- en buikstreping met het geelgroene vleugelpaneel.

Leefgebied

Steile, rotsige heuvels, kopjes en kloven met open bos, vooral miombo, maar ook gemengd bosveld, randen van montaan bos en aanplant van uitheemse bomen. Foerageert tussen rotsen, in schaarse begroeiing en langs wegbermen op sprinkhanen, andere insecten en teken. Het nest ligt op de grond, verscholen onder een pol of rots, op vlak terrein of een lage oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, Mpumalanga, Gauteng en Noordwest, zuidwaarts tot in KwaZulu-Natal), in Eswatini, het uiterste zuidoosten van Botswana, grote delen van Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola. Buiten het gebied tot in Tanzania, het zuiden van Kenia en het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek de soort op beboste, rotsige hellingen zoals in de Magaliesberg, het Waterberggebied of de Matobo-heuvels. Luister in het vroege broedseizoen (september–december) naar de luide zang die door de kloof galmt, en zoek dan de zanger op een uitstekende rots of een dode tak. Buiten de broedtijd is hij stiller en het best te vinden door langzaam langs rotsige bosranden te lopen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een wijdverspreide en plaatselijk algemene soort van moeilijk toegankelijk, rotsig terrein dat weinig door landbouw wordt bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Anthus lineiventris | Sundevall, 1850

Sundevall beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. lineiventris komt van het Latijnse linea, 'lijn', en venter, 'buik' — naar de gestreepte onderzijde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mohapoani-berg, Limpopogebied.