Alle soorten › Steltloperachtigen › Goudsnippen › Goudsnip

Goudsnip | Rostratula benghalensis

Greater Painted-Snipe | Aguatero Bengalí

De goudsnip is een schuwe, snipachtige steltloper van dicht begroeide moerasranden, met een opvallende witte bril en een witte band die als een beugel om de schouder loopt. De rollen zijn omgekeerd: het vrouwtje is groter en feller getekend, baltst en roept, terwijl het mannetje broedt en de jongen grootbrengt.

Goudsnip (Rostratula benghalensis)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Het vrouwtje laat in de balts, vaak in de schemering of bij nacht, een reeks holle, zachte tonen horen, als het blazen over een fles: woek woek woek, tot twintig keer herhaald. Opgejaagde vogels geven soms een kort, schor kek.

Luister: ZangXC936883

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–28 cm. Het vrouwtje heeft een donker kastanjebruine kop, hals en borst, een witte oogring die naar achteren uitloopt in een streep, en een brons-groene rug met fijne zwarte bandering. Een zwarte borstband scheidt de borst van de witte buik, en een witte band loopt van de flank omhoog over de schouder. Het mannetje is kleiner en doffer, grijsbruin met goudgele vlekken op de vleugeldekveren en een okergele oogring. Bij beide seksen is de lange snavel iets naar beneden gebogen met een verdikte punt, en zijn de poten groenig. In de vlucht zijn de vleugels breed en afgerond, met reeksen goudgele vlekken, en hangen de poten naar beneden, als bij een ral.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse snip Gallinago nigripennis en de watersnip Gallinago gallinago hebben een veel langere, rechte snavel, lengtestrepen op de kop in plaats van een bril en een snelle zigzagvlucht. De poelsnip Gallinago media is zwaarder, met witte hoeken aan de staart en sterk gevlekte onderdelen. Geen andere steltloper van het gebied combineert de witte bril met de witte schouderbeugel.

Leefgebied

Ondiepe, dicht begroeide randen van zoetwatermoerassen, vleien, overstroomde graslanden, rijstvelden, dammen en rioolwerken, waar modder, ondiep water en lage vegetatie elkaar afwisselen. Foerageert vooral in de schemering door met de snavel in de modder te prikken naar wormen, insectenlarven, slakken en zaden. Het nest is een kom van plantenmateriaal op een pol of drijvend in dichte vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over een groot deel van het gebied, maar onregelmatig en afhankelijk van regenval: het meest in de Okavangodelta en de rest van Noord-Botswana, Zambia, Zimbabwe, Malawi, Mozambique, Noord-Namibië en Angola, en in Oost- en Noord-Zuid-Afrika en Eswatini. Schaars in het westen en zuiden van Zuid-Afrika en in Lesotho, en zeldzaam in de droge delen van Namibië. Buiten het gebied in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, in Egypte, op Madagaskar en in Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een vogel om naar te zoeken, niet om op te wachten: scan in de vroege ochtend of vanaf een hoge oever de randen van een vlei waar modder en lage biezen elkaar raken. De vogel staat vaak roerloos met de kop ingetrokken en valt pas op door de witte bril. Na goede regens duiken ze op nieuw ondergelopen plaatsen op, soms met meerdere paren; bij opgedroogd water zijn ze weer weg.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in zuidelijk Afrika onregelmatig en vrij schaars. De soort is afhankelijk van ondiepe, begroeide moerassen, die verloren gaan door drooglegging, overbegrazing en dammen. Door het nomadische gedrag schommelen de plaatselijke aantallen sterk van jaar tot jaar.

Wetenschappelijke naam

Rostratula benghalensis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Rallus benghalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rostratula werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Rostratula is een verkleinvorm bij het Latijnse rostratus, 'gesnaveld, grootsnavelig', van rostrum, 'snavel', naar de lange snavel van deze snipachtige vogels. benghalensis betekent 'uit Bengalen', naar de streek in het noordoosten van het Indisch subcontinent. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Azië.