Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Grijskopnigrita

Grijskopnigrita | Nigrita canicapillus

Grey-Headed Nigrita | Negrita Canosa

De grijskopnigrita is de grootste en meest opvallende nigrita: grijs van boven, zwart van onderen, met fijne witte stippen op de vleugels. In Noord- en West-Angola is hij de algemeenste nigrita en de enige die ook in de escarpementbossen van Cuanza Sul geregeld wordt gezien.

Grijskopnigrita (Nigrita canicapillus)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, zuivere fluitzang van drie tot vier tonen, vaak iets dalend of op en neer, tie-tuu-tie of fie-fuu-fuu, veel herhaald vanaf een zangpost in de kroon. De roep is een scherp tsip.

Luister: ZangXC247293

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 tot 15 cm, fors voor een astrild, met een vrij lange staart en een zware zwarte snavel. Het voorhoofd, het gezicht en de hele onderzijde zijn zwart. Kruin, nek en rug zijn lichtgrijs, van het zwarte gezicht gescheiden door een smalle witte rand; de stuit is bleekgrijs, de staart zwart. De donkere vleugeldekveren dragen kleine witte stipjes. Het oog is rood. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn egaal donker grijsbruin zonder zwart gezicht en zonder witte stippen.

Verwarrings­soorten

De bleekkopnigrita (Nigrita luteifrons) is kleiner, mist de witte stippen op de vleugel en heeft bij het mannetje een bleek geelbuff voorhoofd; het vrouwtje is vrijwel geheel grijs. De bruinborstnigrita (Nigrita bicolor) is kastanjebruin van onderen. Het glansekstertje (Spermestes bicolor) heeft een witte buik en leeft in groepen laag in open terrein.

Leefgebied

Randen en open plekken van laagland- en middelgebergtebos, galerijbos, secundair bos, plantages en tuinen met bomen, tot in de schaduwkoffieplantages van de Angolese escarpementbossen. Foerageert in paren of kleine groepjes, in de kroon en in struiken, op insecten, vruchten en zaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden en westen van Angola: van Cabinda en Uíge zuidwaarts door Cuanza Norte, Bengo en Malanje tot de escarpementbossen van Cuanza Sul (Kumbira, Gabela, Conda). Daarbuiten van Guinee door West- en Centraal-Afrika tot Zuid-Soedan, Oeganda, Kenia en het westen van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het Kumbira-bos en de omgeving van Gabela vaak de eerste nigrita die men ziet, zingend vanuit een hoge boom aan de bosrand. Leer de heldere fluitzang; die helpt om de soort ook te vinden als hij hoog in het loof zit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en tolerant voor secundaire begroeiing en plantages; in Angola de meest waargenomen nigrita. Achteruitgang van het escarpementbos is wel een bedreiging voor de lokale populaties.

Wetenschappelijke naam

Nigrita canicapillus | (Strickland, 1841)

Strickland beschreef de soort in 1841 als Aethiops canicapillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nigrita werd in 1843 ingevoerd door Strickland. Nigrita komt van het Nieuwlatijnse nigritus, 'zwart' (verwant aan niger) — naar het grotendeels donkere verenkleed van deze nigrita's. canicapillus komt van het Latijnse canus, 'grijs', en capillus, 'hoofdhaar' — naar de grijze kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bioko, Equatoriaal-Guinea.