Alle soorten › Zangvogels › Afrikaanse zangers › Groene krombek

Groene krombek | Sylvietta virens

Green Crombec | Crombec Verde

De groene krombek is een krombek van het regenwoud: een piepklein, bijna staartloos vogeltje met een olijfgroene rug en een bruinige kop, dat in het gebied alleen in het noorden van Angola voorkomt. Anders dan de grijze krombekken van de savanne leeft hij in bosranden en dicht secundair struikgewas.

Groene krombek (Sylvietta virens)
Foto: Aviceda — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, hoge en ijle strofe van enkele noten, vaak dalend, zoals tsie-tsie-tsieuw, telkens na enkele seconden herhaald. Contactroep een zacht tsik of een droog tsjirpje. Hij is vaker te horen dan te zien.

Luister: ZangXC1105372

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

8–9 cm. Kruin en achterhals grijsbruin tot aardbruin, de mantel, stuit en vleugelranden olijfgroen. Het gezicht is okerbruin, met een vage lichtere wenkbrauwstreep en bruine oorstreek. De keel is lichtbruin tot okergeel, de borst en flanken grijsbruin en de buik vuilwit. De staart is zeer kort, zoals bij alle krombekken. De snavel is vrij kort en fijn, donker met een lichtere ondersnavel; poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De roodteugelkrombek Sylvietta whytii en de roodkapkrombek Sylvietta ruficapilla zijn grijs van boven zonder groen en leven in open bosveld, niet in bosranden. De Kaapse krombek Sylvietta rufescens heeft een veel langere snavel en is grijs met een kaneelkleurige onderzijde. De hylia Hylia prasina is groter, heeft een langere staart en een opvallende gele wenkbrauwstreep. Jonge camaroptera's hebben een langere, vaak opgewipte staart.

Leefgebied

Randen en open plekken van vochtig laaglandbos, dicht secundair bos, verruigde oude kostgrondjes, ruigte langs rivieren en galerijbos. Foerageert rusteloos door bladerwerk en klimplanten op lage tot middelhoge hoogte, vaak in gemengde groepen, en pikt insecten van bladeren en takjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden en noordwesten van Angola (Cabinda en de bosrijke provincies ten noorden van de Cuanza, oostelijk tot Lunda), waar de ondersoort tando voorkomt. Daarbuiten van Nigeria en Kameroen door Gabon en Congo tot het oosten van DR Congo en westelijk Oeganda en Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in de bosranden en ruige tuinen van het noorden van Angola, bijvoorbeeld rond Kalandula en in de provincie Uíge. Luister naar de ijle, herhaalde strofe en volg een gemengde groep langs een bosrand. Door zijn kleine formaat en groene tinten valt hij tussen het blad nauwelijks op; kijk naar de korte staart en de bruine kop.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in zijn ruime West- en Centraal-Afrikaanse verspreidingsgebied algemeen. Hij verdraagt verstoring goed en profiteert zelfs van secundaire groei en bosranden. In Angola is de soort beperkt tot een klein deel van het land en weinig onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Sylvietta virens | Cassin, 1859

Cassin beschreef de soort in 1859 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sylvietta werd in 1839 ingevoerd door De Lafresnaye. Sylvietta is een verkleinvorm van Sylvia (grasmus), naar het Franse sylviette, 'grasmusje' — naar de kleine, bijna staartloze krombekken. virens is Latijn voor 'groen', 'groenend' — naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sette Cama, Gabon.