Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Grootsnavelleeuwerik

Grootsnavelleeuwerik | Galerida magnirostris

Large-Billed Lark | Cogujada Picogorda

De grootsnavelleeuwerik is een forse, zwaar gestreepte leeuwerik met een kort kuifje en een dikke snavel met een gele basis. Zijn zang, een krakend, piepend deuntje dat klinkt als een ongesmeerd hek, is in de Karoo en het renosterveld een van de vertrouwde geluiden. De soort is vrijwel beperkt tot Zuid-Afrika, Lesotho en het uiterste zuiden van Namibië.

Grootsnavelleeuwerik (Galerida magnirostris)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang, van een struikje, paaltje of steen of in een korte baltsvlucht, is een kenmerkend krakend, piepend fluitje, trrree-trrreeelie of sri-trrrieee, dat wordt vergeleken met een roestig scharnier. De roep is een korte, droge tsjrrt. Zingt het hele jaar, maar het meest in de broedtijd, die in het westen in de winter en het vroege voorjaar valt.

Luister: ZangXC1005403

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. Groot en zwaargebouwd, met een korte staart, een kort, rafelig kuifje en een zware, iets gebogen snavel waarvan de onderkaak aan de basis geel tot hoornkleurig is. De bovendelen zijn grijsbruin met brede donkere strepen; de kop is gestreept, met een bleke wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep. De onderdelen zijn wit tot bleek okerkleurig met zware, scherpe donkere strepen op de borst en flanken. De vleugels zijn bruin, zonder roestkleur. Seksen gelijk; jonge vogels zijn meer gevlekt en hebben een kleinere snavel.

Verwarrings­soorten

De Karooleeuwerik Calendulauda albescens is kleiner, met een fijnere snavel, een bredere witte wenkbrauwstreep en roodbruine bovendelen, en zingt anders. De sjirpleeuwerik Chersomanes albofasciata heeft een lange, gebogen snavel, een witte keel en een zeer korte staart met witte punten. De Kaapse langsnavelleeuwerik Certhilauda curvirostris en de Karoolangsnavelleeuwerik Certhilauda subcoronata zijn slanker, met een lange, dunne, gebogen snavel en een fluitende zangvlucht. De rode leeuwerik Calendulauda burra van de rode duinen van Boesmanland is roestrood van boven.

Leefgebied

Renosterveld, graanakkers en braakland in het zuidwesten, droge dwergstruikvegetatie van de Sukkulente en Nama-Karoo, en hooggelegen grasland in Lesotho en de oostelijke hooglanden. Zoekt vaak randen van wegen, akkers en weiden. Foerageert op de grond op zaden en insecten, en graaft met de zware snavel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor Zuid-Afrika en Lesotho: in de Westkaap (vooral de Overberg, de Swartland en Namakwaland), de Noord-Kaap, de westelijke en zuidelijke Karoo, de Oost-Kaap en de hooglanden van Lesotho en de aangrenzende Vrijstaat. Daarnaast in het uiterste zuiden van Namibië, langs de Oranjerivier. Buiten het gebied niet bekend.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd door de graanakkers van de Overberg of het Swartland en let op leeuweriken op hekpalen en langs de berm; de zang is vaak het eerste teken. In de Karoo zingt hij van een struikje langs de weg. Let op de gele snavelbasis en de zware borststrepen; de zang is onmiskenbaar zodra je hem eenmaal kent.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in het grootste deel van zijn verspreidingsgebied. De soort heeft baat bij graanakkers in het zuidwesten, maar omzetting van renosterveld en overbegrazing in de Karoo kunnen plaatselijk nadelig zijn.

Wetenschappelijke naam

Galerida magnirostris | (Stephens, 1826)

Stephens beschreef de soort in 1826 als Alauda magnirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Galerida werd in 1828 ingevoerd door Boie. Galerida is Latijn voor 'kuifleeuwerik', van galerum 'muts, kap', naar de rechtopstaande kuif. magnirostris komt van het Latijnse magnus, 'groot', en rostrum, 'snavel' — naar de forse snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapstad, Zuid-Afrika (naar Levaillant).