Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Bruinrugvinkleeuwerik
Bruinrugvinkleeuwerik | Eremopterix leucotis
Chestnut-Backed Sparrow-Lark | Terrera Orejiblanca
De bruinrugvinkleeuwerik is de vinkleeuwerik van de savanne: een kleine, gedrongen leeuwerik die in groepjes over kaal of pas afgebrand terrein scharrelt. Het mannetje combineert een zwarte kop en onderzijde met witte vlekken op wang en nek en een warm kastanjebruine rug. Van alle vinkleeuweriken heeft hij de grootste verspreiding, tot in de Sahel.
Geluid
Een kort, droog tsjip-tsjip of tsjiep-tsjoerr, vaak gegeven in de vlucht. De zang is een eenvoudige, herhaalde fluitreeks, gezongen tijdens een golvende zangvlucht met een trage vleugelslag, waarna het mannetje zich steil laat vallen.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Dikke, lichte vinkensnavel. Het mannetje heeft een zwarte kop, keel en onderzijde, een grote witte wangvlek en een witte of grijswitte vlek in de nek; de kruin is zwart, zonder witte kruinvlek. Rug, schouders en vleugeldekveren zijn helder kastanjebruin. Het vrouwtje is bruin en gestreept, met kastanjebruine vleugeldekveren, een lichte wang omzoomd door een donkere lijn, en een zwarte vlek midden op de buik. In de vlucht zijn de ondervleugels donker.
Verwarringssoorten
De grijsrugvinkleeuwerik Eremopterix verticalis heeft een grijze rug zonder kastanjebruin en een witte vlek midden op de kruin; hij leeft verder naar het westen en zuiden in de Karoo en Kalahari. De zwartoorleeuwerik Eremopterix australis mist alle witte koptekening. De bruinkapvinkleeuwerik Eremopterix leucopareia van Oost-Afrika heeft een bruine kruin en een grijsbruine rug. Het vrouwtje onderscheidt zich van de roodkapleeuwerik Calandrella cinerea door de dikke snavel en de zwarte buikvlek.
Leefgebied
Open, kort grasland en kale plekken in savanne en doornveld, overbegraasde vlakten, randen van pannen en vleien, pas afgebrande velden en braakliggende akkers. Prefereert plekken met veel kale grond. Foerageert in groepjes op de grond naar zaden en insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied in het zuiden en westen van Zambia, lokaal in Malawi, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië (Etosha, Caprivi), het zuiden van Angola, het zuiden van Mozambique en het noorden van Zuid-Afrika (Limpopo, Noordwest, Gauteng en het noorden van de Vrijstaat). Daarbuiten van Tanzania en Kenia noordwaarts tot Ethiopië en westwaarts door de Sahel tot Senegal.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond, maar sterk nomadisch en afhankelijk van brand en begrazing. De beste kans heb je op pas afgebrande of kaalgevreten vlakten in de droge tijd, en rond pannen in Etosha en de Makgadikgadi. Scan groepjes op de grond: het mannetje is met zijn kastanjebruine rug en zwarte kop direct herkenbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wijdverbreid en plaatselijk algemeen. Overbeweiding en brand scheppen voor deze soort juist geschikt open terrein, al kan intensieve akkerbouw leefgebied wegnemen.
Wetenschappelijke naam
Eremopterix leucotis | (Stanley, 1814)
Stanley beschreef de soort in 1814 als Loxia leucotis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremopterix werd in 1836 ingevoerd door Kaup. Eremopterix komt van het Griekse erēmos, 'woestijn', en pterux, 'vleugel' — vogels van droge, open landschappen. leucotis komt van het Griekse leukos, 'wit', en ous (ōtos), 'oor' — naar de witte oorvlek van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ethiopië (niet nader bepaald).


