Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Gurneys lijster

Gurneys lijster | Geokichla gurneyi

Orange Ground Thrush | Zorzal de Gurney

Gurneys lijster is een verborgen levende grondlijster van montaan en midhoogland nevelwoud, met een warm oranje onderzijde en witte vleugelstrepen. Hij wordt veel vaker gehoord dan gezien: de fluitende zang klinkt in de schemering uit het donkere bos.

Gurneys lijster (Geokichla gurneyi)
Foto: MFC — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Het gezang is een langgerekte, zoete reeks gevarieerde fluitfrases, lijsterachtig maar hoger en helderder dan dat van de Kaapse lijster, met herhalingen en soms nabootsingen; vooral bij zonsopkomst en -ondergang. De roep is een dun, hoog tsiep.

Luister: ZangXC673229

Opname: Abdulrahman Adam — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

22–23 cm. Bovendelen olijfbruin tot leigrijsbruin, de vleugels met twee witte strepen door de toppen van de dekveren. Keel, borst en flanken zijn effen warm oranje, de buik en onderstaartdekveren wit. Een smalle witte oogring en soms een donkere streep door de oorstreek. In vlucht toont de ondervleugel een brede zwart-witte band. Snavel zwartachtig, poten roze. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben bruine vlekjes op de oranje borst en lichte streepjes op de rug.

Verwarrings­soorten

De Natallijster (Geokichla guttata) deelt de witte vleugelstrepen maar is wit met zwarte vlekken onder en heeft een zwart-witte kopstekening; hij leeft vooral in laaglandbos aan de kust. De Kaapse lijster (Turdus olivaceus) komt in dezelfde bossen voor, maar heeft een oranje snavel, een grijsbruine borst met alleen oranje op buik en flanken en geen vleugelstrepen; hij foerageert ook in open terrein en tuinen.

Leefgebied

Vochtig montaan en midhoogland bos met een dichte kruinlaag en een open, beschaduwde bodem, vaak in ravijnen en langs beken. Foerageert op de grond tussen bladeren naar insecten, slakken en wormen; zingt vanaf een tak in de middenlaag. In de winter dalen sommige vogels af naar lager gelegen bos en kustbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid in de Afromontane bosgordels van het oosten van het gebied: in Zuid-Afrika van de Oost-Kaap (Amatola) via KwaZulu-Natal naar Mpumalanga en Limpopo (Woodbush, Soutpansberg), verder Eswatini, de oostelijke hooglanden van Zimbabwe (Nyanga, Vumba, Chimanimani), de bergen van midden- en noord-Mozambique (onder meer Gorongosa en Namuli), Malawi (Mulanje, Zomba, Viphya, Nyika) en het noordoosten van Zambia; een geïsoleerde populatie in de hooglanden van West-Angola. Daarbuiten tot in Tanzania, Kenia en het oosten van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in de schemering in bossen als Woodbush en Magoebaskloof (Limpopo), Ngome (KwaZulu-Natal) of de Vumba (Zimbabwe) naar de heldere fluitzang. Ga dan stil op een bospad zitten; de vogel komt vaak op het pad of in een open plek foerageren en is dan kort goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In geschikt bos vrij algemeen, maar door zijn gebondenheid aan montaan bos lokaal kwetsbaar voor bosverlies, zoals in Malawi en midden-Mozambique, en voor verstoring van de bosbodem door vee en houtkap.

Wetenschappelijke naam

Geokichla gurneyi | (Hartlaub, 1864)

Hartlaub beschreef de soort in 1864 als Turdus gurneyi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geokichla werd in 1836 ingevoerd door Müller. Geokichla combineert het Griekse gē, 'aarde, grond', met kikhlē, 'lijster' — 'grondlijster', naar de gewoonte op de bosbodem voedsel te zoeken. gurneyi eert de Engelse bankier en ornitholoog John Henry Gurney (1819–1890), kenner van Afrikaanse roofvogels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Pietermaritzburg, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.