Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Steenspringer

Steenspringer | Pinarornis plumosus

Boulder Chat | Zorzal Roquero

De steenspringer is een grote, donkere lijsterachtige van beboste granietkoppjes, die met lange sprongen over de keien huppelt en daarbij zijn staart heft en waaiert. Hij is de enige soort in zijn geslacht en vrijwel beperkt tot zuidelijk Afrika, met Zimbabwe als zwaartepunt.

Steenspringer (Pinarornis plumosus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, helder en doordringend fluitje, wie-ieet, en een reeks piepende, krakende noten, soms vergeleken met een ongesmeerde deur. Paartjes roepen afwisselend naar elkaar. De alarmroep is een hard, klikkend tsjak. Het gezang is een langzame reeks fluittonen, vooral in de vroege ochtend.

Luister: ZangXC455251

Opname: Rick Nuttall — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

23–25 cm. Een slanke, langstaartige vogel, geheel bruinzwart met een zwak donzig voorkomen van de verenveren op rug en flanken. De buitenste staartpennen hebben brede witte toppen, die vooral opvallen als de staart bij de landing gewaaierd wordt. Op de vleugeldekveren en de binnenste slagpennen zitten kleine witte randjes en vlekjes, die een smalle lichte vleugelstreep kunnen vormen. Snavel en poten zijn zwart. Het vrouwtje is iets bruiner en doffer dan het mannetje; jonge vogels zijn bruiner met vage lichte vlekjes. Karakteristiek is het gedrag: rennend en springend over rotsen, met de staart omhoog en half gespreid, en vaak ver hoorbaar voordat hij te zien is.

Verwarrings­soorten

De roodbuikkliftapuit (Thamnolaea cinnamomeiventris) leeft op dezelfde rotsen, maar het mannetje heeft een kastanjebruine buik en onderstaartdekveren en een witte schoudervlek; het vrouwtje is grijs met een roestbruine buik. De Kaapse drongovliegenvanger (Melaenornis pammelaina) is kleiner, glanzend blauwzwart zonder wit in staart of vleugel en zit stil op een tak om vanuit de lucht te jagen. De pijlpuntbabbelaar (Turdoides jardineii) beweegt ook in luidruchtige groepjes door koppjes, maar is grijsbruin met witte pijlpunten en een geel-rood oog.

Leefgebied

Granietkoppjes, dagzomende granietbulten (dwala’s) en heuvels met grote keien in miombo en ander droog bosveld, bij voorkeur waar tussen de rotsen bomen en struiken staan. Zoekt geleedpotigen en kleine hagedissen onder en tussen keien en in bladstrooisel, jaagt soms vanaf een rots in de lucht of fladdert onhandig bij bladeren. Het komvormige nest ligt onder een kei, in een spleet tussen rotsen of tegen een boomstam. Verdwijnt waar de begroeiing te dicht wordt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna endemisch voor het gebied, met drie kernen: het oosten van Botswana en het zuiden en westen van Zimbabwe (Matobo, Matabeleland); het noordoosten van Zimbabwe met aangrenzend westelijk Mozambique (Tete, Manica); en het oosten van Zambia door de Luangwavallei tot in het westen van Malawi. Lokaal ook in het zuiden van Zambia; een handvol meldingen uit het uiterste noorden van Zuid-Afrika langs de Limpopo. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Matobo National Park bij Bulawayo is de klassieke plek: loop in de vroege ochtend langs beboste koppjes en luister naar het heldere fluiten en de krakende noten. Vogels laten zich vaak kort zien op de top van een kei, met de staart omhoog, en springen dan weer weg. Blijf stil zitten; paartjes komen dikwijls terug.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen in Zimbabwe, maar het leefgebied is versnipperd en gebonden aan rotsformaties. Verbossing, onder meer door de invasieve Lantana camara, maakt koppjes ongeschikt; branden en houtkap rond de rotsen spelen lokaal mee.

Wetenschappelijke naam

Pinarornis plumosus | Sharpe, 1876

Sharpe beschreef de soort in 1876 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pinarornis voerde hij in datzelfde werk in. Pinarornis combineert het Griekse pinaros, 'vuil, smoezelig', met ornis, 'vogel' — naar het doffe, donkere verenkleed van de steenspringer. plumosus is Latijn voor 'gevederd, donzig', vermoedelijk naar het zachte, losse verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Matobo-heuvels, Zimbabwe (oorspronkelijk abusievelijk als Victoriawatervallen opgegeven).