Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Hagedisbuizerd
Hagedisbuizerd | Kaupifalco monogrammicus
Lizard Buzzard | Busardo Gavilán
De hagedisbuizerd is een gedrongen, grijze roofvogel van het bosveld, zo groot als een kleine havik maar gebouwd als een buizerd. De witte keel met één zwarte lengtestreep in het midden is uniek. Hij zit lang stil op een zichtbare tak en valt van daaruit op hagedissen, grote insecten en kleine knaagdieren op de grond.
Geluid
Zeer luidruchtig in het broedseizoen: een melodieus, fluitend kluu-uu of klioe-klu-klu-klu-klu, vaak vanaf een hoge tak of in de vlucht, en een klaaglijk, dalend piejoe.
Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
35–37 cm, spanwijdte 75–85 cm. Van boven en op kop en borst effen grijs; de buik is fijn grijs-wit gebandeerd. De witte keel wordt door een smalle zwarte middenstreep in tweeën gedeeld. De staart is zwart met een brede witte band in het midden (soms een tweede, smallere band) en een witte punt; bij het wegvliegen valt de witte bovenstaartband op. Washuid en poten oranjerood, ogen donker. In de vlucht zijn de vleugels vrij breed en rond, de ondervleugel licht met donkere vleugeltoppen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruiner getint, met een lichtere wenkbrauw en een minder duidelijke keelstreep.
Verwarringssoorten
De gabarhavik Micronisus gabar is slanker, heeft een langere staart met meerdere banden, een grijze keel zonder streep en rode ogen. De shikra Tachyspiza badia heeft een roestbruin gebandeerde borst, gele poten en geen keelstreep. De donkere zanghavik Melierax metabates is veel groter, met lange rode poten en een gebandeerde stuit. De grijze torenvalk Falco ardosiaceus en de Dickinsons torenvalk Falco dickinsoni hebben spitse vleugels en een gele washuid.
Leefgebied
Vochtig tot half-droog bosveld, vooral miombo, gemengd bosveld en mopaneveld, ook bosranden, oeverbos en open terrein met verspreide hoge bomen, soms rond akkers en dorpen. Jaagt geduldig vanaf een tak op enkele meters hoogte. Het nest is een kleine takkenhorst in de vork van een boom, vaak bekleed met groen blad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana, de Caprivi-strook en het noordoosten van Namibië, Eswatini en het noordoosten van Zuid-Afrika, van Limpopo en het Mpumalanga-laagveld tot het noorden van KwaZoeloe-Natal. Ontbreekt in het droge westen en het binnenland van Zuid-Afrika. Verder in savannes van vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het broedseizoen, september–december, is de soort het makkelijkst te vinden aan haar fluitende roep vanuit het bosveld. Let op een grijze, compacte roofvogel die rechtop op een dode tak zit; met een verrekijker is de zwarte keelstreep dan direct te zien. In miombo in Zambia, Malawi en Mozambique is het een van de meest geziene roofvogels.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen in geschikt bosveld. Het kappen van miombo voor landbouw en houtskool verkleint plaatselijk het leefgebied, maar de soort verdraagt vrij veel verstoring en jaagt ook in half-open landbouwgebied.
Wetenschappelijke naam
Kaupifalco monogrammicus | (Temminck, 1824)
Temminck beschreef de soort in 1824 als Falco monogrammicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Kaupifalco werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Kaupifalco eert de Duitse natuuronderzoeker Johann Jakob Kaup (1803–1873), gecombineerd met het Latijnse falco, 'valk'. monogrammicus komt van het Griekse monos, 'enkel', en gramma, 'streep' — naar de ene zwarte streep midden over de witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


