Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Huambograszanger

Huambograszanger | Cisticola bailunduensis

Huambo Cisticola | Cistícola de Huambo

De Huambograszanger is een weinig bekende graszanger van rotsige, grazige hellingen in het hoogland van Angola, waar hij endemisch is. Lang gold hij als een ondersoort van de langstaartgraszanger, maar hij verschilt in zang, kleed en leefwijze en wordt nu als aparte soort erkend.

Huambograszanger (Cisticola bailunduensis)
Foto: Niall Perrins — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Het geluid is slecht gedocumenteerd. De zang, vanaf een rotsblok of graspol, bestaat uit herhaalde fluitende en ratelende tonen die duidelijk verschillen van die van de langstaartgraszanger; dat verschil was een van de redenen voor de afsplitsing. Bij verstoring een schurend tsjer.

Luister: ZangXC687304

Opname: Derek Engelbrecht — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, met een lange staart die vaak schuin omhoog wordt gehouden. Kruin en gezicht zijn roodbruin, de wenkbrauwstreep is licht, de bovendelen zijn donkerbruin en vrijwel ongestreept, de onderdelen warm beige tot okerkleurig. De staart heeft een donkere subterminale band en lichte punten. Vergeleken met de langstaartgraszanger is hij donkerder van boven en roder op kop en gezicht. De seksen zijn gelijk. Het gedrag is als dat van de langstaartgraszanger: traag, vaak open op rotsen of graspollen.

Verwarrings­soorten

De langstaartgraszanger Cisticola aberrans komt niet in Angola voor, zodat verwarring binnen het areaal beperkt blijft tot andere graszangers. De ratelgraszanger Cisticola chiniana heeft een duidelijk gestreepte rug, een kortere staart en een ratelende zang, en leeft in bosveld in plaats van op rotsen. De bruinkopgraszanger Cisticola fulvicapilla is kleiner, met een kortere staart en een effen roodbruine kop zonder wenkbrauwstreep. De roestflankprinia Prinia subflava is slanker en grijzer, met een gelige buik, en leeft in ruigte. Een langstaartige, ongestreepte graszanger met een rode kop op een rotsige helling in het Angolese hoogland is vrijwel zeker deze soort.

Leefgebied

Rotsige hellingen, granietkoppen en grazige plekken met verspreide struiken en bomen in het hoogland, vaak aan de randen van miombo. Meestal in paren, laag tussen rotsen en graspollen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Angola, in het westelijke en centrale hoogland rond Huambo en Bailundo en in aangrenzende delen van het hoogland. Komt nergens anders voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; zoek op rotsige heuvels en granietkoppen rond Huambo en Bailundo. Omdat de soort pas kort erkend is en weinig bekend, zijn geluidsopnamen en foto's met plaats en datum van waarde; meld waarnemingen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd volgens de IUCN. Over aantallen en trends is weinig bekend; het leefgebied op rotsige hellingen is weinig aangetast, al neemt de landbouw in het Angolese hoogland toe.

Wetenschappelijke naam

Cisticola bailunduensis | Neumann, 1931

Neumann beschreef de soort in 1931 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. bailunduensis verwijst naar Bailundo in het hoogland van Angola, waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chipepe bij Bailundo, Angola.