Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Kaapse meeszanger

Kaapse meeszanger | Curruca subcoerulea

Chestnut-Vented Warbler | Curruca Sureña

De Kaapse meeszanger is een grijze, bleekogige grasmus met een kastanjebruine onderstaart, die in vrijwel elk doornstruweel en Karoostruik in het droge westen en midden van het gebied te horen is. Zijn rijke, vrolijke zang is een van de vertrouwde geluiden van het bosveld en de Karoo.

Kaapse meeszanger (Curruca subcoerulea)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een rijke, snelle, borrelende reeks fluittonen en tjirpjes, vaak ingeleid of afgesloten met het karakteristieke tsjerik-tik-tik, waaraan de Afrikaanse naam ‘bosveldtjeriktik’ ontleend is. Imiteert soms andere soorten. De roep is hetzelfde tsjerik-tik-tik of een scherp tik-tik.

Luister: ZangXC1175717

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, egaal grijs boven, lichter grijs tot vuilwit onder. De witte keel is dicht bezet met korte zwarte streepjes. De iris is wit tot lichtgeel en valt direct op in het grijze kopje. De onderstaartdekveren zijn diep kastanjebruin, bij een vogel van onderen gezien een duidelijk contrast met de lichte buik. De lange staart is zwartachtig met witte buitenste pennen en witte toppen. De snavel is dun en zwart, de poten grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een donkerder iris, een minder gestreepte keel en een vale roodbruine onderstaart. Beweegt meesachtig door struiken, hangt soms aan twijgen en waaiert met de staart.

Verwarrings­soorten

Layards meeszanger Curruca layardi lijkt sterk, maar heeft witte onderstaartdekveren en een wat zwakker gestreepte keel; beide soorten overlappen in de westelijke Karoo, Namakwaland en het zuiden van Namibië. De acaciamees Melaniparus cinerascens en de Kaapse mees Melaniparus afer hebben een zwarte kap en keel en een witte wangvlek. De elfvliegenvanger Stenostira scita is kleiner, met een zwart masker en een witte vleugelstreep.

Leefgebied

Acaciasavanne en doornveld, Kalahari-doornveld, Nama-Karoo en droge struweelrijke rivierbeddingen; ook in fynbos met doornstruiken, in struikgewas op rotsige heuvels en in tuinen in droge streken. Foerageert laag tot middelhoog in dichte struiken op insecten, spinnen en bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Namibië in vrijwel het hele land behalve de kale Namib; in Botswana wijdverspreid, schaarser in het vochtige noorden; in Zuid-Afrika in het grootste deel van het binnenland en het westen, maar afwezig uit de vochtige oostelijke laaglanden; verder in Lesotho, het zuidwesten van Zimbabwe, het zuidwesten van Angola en met enkele meldingen in het zuidwesten van Zambia. Buiten het gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond en gemakkelijk; luister in droog doornveld naar het hoge tsjerik-tik-tik en wacht tot de vogel boven in een struik verschijnt. Algemeen in bijvoorbeeld het Kgalagadi-grenspark, Etosha, het Karoo-nationaal park en de Pilanesberg. Controleer bij iedere bleekogige grijze grasmus in het westen de onderstaart om Layards meeszanger uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, met stabiele aantallen; profiteert plaatselijk van verbossing met doornstruiken in overbegraasd grasland.

Wetenschappelijke naam

Curruca subcoerulea | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia subcaerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. subcoerulea is Latijn voor 'blauwachtig', van sub, 'enigszins', en caeruleus, 'blauw' — naar de blauwgrijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gouritsrivier, West-Kaap, Zuid-Afrika.