Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Bruine meeszanger

Bruine meeszanger | Curruca lugens

Brown Parisoma | Curruca Parda

De bruine meeszanger is een donkere, grijsbruine grasmus van Oost-Afrikaanse hooglanden, die met een kleine, geïsoleerde populatie het uiterste noorden van het gebied bereikt in Malawi en aangrenzend Zambia. Hij leeft in boomkruinen, waar hij zich eerder als een kleine vliegenvanger dan als een zanger gedraagt.

Bruine meeszanger (Curruca lugens)
Foto: Nik Borrow — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een luide, afwisselende, muzikale zang van heldere fluittonen en korte trillers, vaak in herhaalde frasen zoals tsjip-tsjip-tsjirrie-wie-oo. De roep is een droog, raspend tsjrrr en een zacht tsjip.

Luister: ZangXC632687

Opname: Abdulrahman Adam — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, vrijwel geheel donker grijsbruin, iets lichter en grijzer op buik en flanken. De keel is vuilwit met fijne donkere vlekjes of schubben. De onderstaartdekveren zijn licht bruingeel met lichte randen. De vrij lange staart is zwartbruin met witte buitenvlaggen aan de buitenste pennen en smalle witte toppen, wat vooral opvalt als de vogel de staart spreidt. De snavel is kort, dun en zwart, de poten zijn donker. De seksen zijn gelijk. Beweegt rusteloos door het bladerdak, vangt insecten in korte vluchtjes, en waaiert en zwaait daarbij voortdurend met de staart.

Verwarrings­soorten

De meesvliegenvanger Fraseria plumbea is blauwgrijs in plaats van bruin, heeft een witte wenkbrauwstreep en eveneens een wit omrande staart die hij spreidt; hij leeft in lager gelegen bosveld. De vale vliegenvanger Agricola pallidus is lichter, zit rechtop op uitkijkposten en heeft geen wit in de staart. De Afrikaanse grijskop Sylvia abyssinica uit hetzelfde berggebied heeft een grijze kop, een olijfbruine rug en leeft laag in dichte bosranden. De Kaapse meeszanger Curruca subcoerulea uit het zuiden en westen van het gebied is grijs, met een gestreepte keel en een kastanjebruine onderstaart.

Leefgebied

Open montaan bos, bosranden en boomrijke savanne op hoogvlakten, vaak met acacia's en ander loofhout met een open kroon. Foerageert vooral in de middelste en hoge etages van de boomkruinen op kleine insecten, alleen of in paartjes, en sluit zich aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in de noordelijke hooglanden van Malawi en met een klein aantal meldingen in het aangrenzende noordoosten van Zambia; hier zeldzaam en weinig bekend. Buiten het gebied verspreid over de hooglanden van Eritrea en Ethiopië via Zuid-Soedan, Oeganda, het oosten van Congo-Kinshasa en Kenia tot in Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond maar moeilijk; zoek in open bos met acacia's en loofbomen op de hoogvlakten van Noord-Malawi en luister naar de heldere, gevarieerde zang uit de boomkruin. De vogel is het best te herkennen aan het gedrag: een donker vogeltje dat met gespreide, wit omrande staart door de kruin fladdert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Over het grote Oost-Afrikaanse areaal plaatselijk vrij algemeen, maar in het gebied klein in aantal en geïsoleerd; kap van hooglandbossen en omzetting naar landbouw vormen hier een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Curruca lugens | (Rüppell, 1840)

Rüppell beschreef de soort in 1840 als Sylvia (Curruca) lugens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. lugens is Latijn voor 'rouwend' — naar het sobere, donker grijsbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Semien, Ethiopië.