Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Grasmus

Grasmus | Curruca communis

Common Whitethroat | Curruca Zarcera

De grasmus is een Palearctische trekvogel die zuidelijk Afrika aan de uiterste rand van zijn Afrikaanse winterkwartier bereikt. Tussen november en april leeft hij verscholen in doornstruweel in het droge binnenland, waar hij meer opvalt door zijn schurende roep dan door zijn verschijning.

Grasmus (Curruca communis)
Foto: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard tsjek of tak en een schurend, nasaal tsjèrr, vaak uit een dichte struik. In februari–april zingen sommige vogels al voor vertrek: een korte, krassende, haastige strofe, tsjiewie-tsjie-tsjewie-tsjeri.

Luister: ZangXC1173771

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, slank en langstaartig. Het mannetje heeft een grijze kop, een zuiver witte keel die bij opwinding wordt opgezet, een lichte oogring en een bruine rug; de borst is vuilwit met een roze of bruingele waas. Het vrouwtje en de jonge vogel hebben een bruinere kop en een minder contrasterende keel. Kenmerkend zijn de roestbruine randen van de grote vleugeldekveren en de tertials, die een warm vleugelpaneel vormen. De staart is donkerbruin met witte buitenste pennen. De snavel is grijs met een lichte basis, de poten zijn lichtbruin. In Afrika zijn veel vogels in verse of juist sleetse rui en de kleuren dan doffer. Beweegt onrustig door dichte struiken en wipt met de opgerichte kop en staart.

Verwarrings­soorten

De tuinfluiter Sylvia borin is egaal grijsbruin, zonder witte keel, roestbruine vleugelranden of wit in de staart, en heeft een kortere, stompere snavel. Het vrouwtje van de zwartkop Sylvia atricapilla heeft een roodbruin petje. De sperwergrasmus Curruca nisoria is groter en grijzer, met lichte vleugelbandjes en bij volwassen vogels een gele iris en gebandeerde onderdelen. De Kaapse meeszanger Curruca subcoerulea is grijs, met een lichte iris, een gestreepte keel en een kastanjebruine onderstaart.

Leefgebied

Droge acaciasavanne en doornveld, Kalahari-doornveld en struikrijke randen van akkers en rivierbeddingen, vooral op plekken met dichte, lage doornstruiken. Foerageert op insecten en in de late zomer ook op bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in het noorden en oosten van Botswana, het noordoosten van Namibië, Zimbabwe en het zuiden van Zambia, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Noordwest, Gauteng en de noordelijke Noord-Kaap; schaars in Malawi, Mozambique, Eswatini en Angola. Broedt in Europa, Noordwest-Afrika en West- en Centraal-Azië en overwintert in de Sahel en Oost-Afrika tot in zuidelijk Afrika; de vogels hier behoren grotendeels tot oostelijke populaties.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot april; zoek in dicht doornstruweel in bijvoorbeeld het Kgalagadi-grenspark, het Pilanesberg-gebied of het Centraal-Kalahari-wildreservaat en luister naar het harde tsjek. De vogel laat zich vaak kort zien als hij van struik naar struik vliegt; let dan op de witte keel en de roestbruine vleugel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Europese populatie is in de twintigste eeuw sterk ingezakt door droogte in de Sahel en heeft zich sindsdien deels hersteld. In zuidelijk Afrika is de soort vrij schaars maar geregeld, met aantallen die per jaar wisselen.

Wetenschappelijke naam

Curruca communis | (Latham, 1787)

Latham beschreef de soort in 1787 als Sylvia communis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. communis is Latijn voor 'gewoon, algemeen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kent in Engeland.