Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Tuinfluiter

Tuinfluiter | Sylvia borin

Garden Warbler | Curruca Mosquitera

De tuinfluiter is een Palearctische trekvogel die van november tot april in dichte struwelen in het noorden en oosten van het gebied overwintert. Het is een van de kenmerkloosste zangers van Afrika: juist het ontbreken van tekening is zijn belangrijkste kenmerk, en in februari en maart verraadt hij zich door zijn lange, rijke zang.

Tuinfluiter (Sylvia borin)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, gelijkmatige en snelle stroom van zachte, rijke en welluidende tonen, dieper en meer doorlopend dan die van de zwartkop en zonder diens heldere slotfrase. In het overwinteringsgebied vooral te horen in de laatste maanden voor het vertrek, vaak vanuit dichte dekking. De roep is een droog tsjek-tsjek en een zacht, nasaal tsjèèr.

Luister: ZangXC1180270

Opname: Robin et Julien SOURIOU — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm, een compacte, vrij plompe zanger met een ronde kop en een korte, dikke, donkere snavel. De bovenzijde is effen grijsbruin, de onderzijde lichter bruingrijs met een warme zeemkleurige tint op borst en flanken. Er is een grijze vlek op de halszijde en een smalle, vage lichte oogring rond het donkere oog, maar geen duidelijke wenkbrauwstreep of vleugelstreep. De poten zijn grijs. De seksen zijn gelijk. Beweegt traag en verborgen in dicht gebladerte en eet veel bessen.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje en de jonge vogel van de zwartkop Sylvia atricapilla hebben een roodbruine kap. De spotvogel Hippolais icterina is groengeel met een lange, brede, oranjeroze snavel; de Griekse spotvogel Hippolais olivetorum is groter en grijzer, met een lange snavel en een licht vleugelpaneel. De bosrietzanger Acrocephalus palustris heeft een plat voorhoofd, een langere, spitse snavel en een duidelijkere lichte teugel. De fitis Phylloscopus trochilus is kleiner en slanker, met een fijn snaveltje en een wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Dicht struweel, oeverbos en bosranden, struikgroepen en termietenheuvels met bosjes in savanne en bosveld, verwilderde tuinen en vruchtbomen; zelden in open savanne. Eet naast insecten veel vruchten en bessen, bijvoorbeeld van vijgen en Lantana.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in het noorden en oosten: Angola (behalve het droge zuidwesten), Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavango en Chobe), het noordoosten van Namibië, Eswatini en in Zuid-Afrika Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap; zeldzaam verder naar het westen en zuidwesten. Broedt in Europa en West-Siberië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, vooral ten zuiden van de evenaar.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot april, het talrijkst in december tot maart. Zoek in dichte struwelen en bosjes rond vruchtdragende struiken en luister in februari en maart naar de lange zang. Het effen uiterlijk met de korte, stompe snavel en de ronde kop is de sleutel; een ‘kenmerkloze’ grijsbruine zanger in een bessenstruik is vaak deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Europese broedpopulatie is groot, al gaat de soort in delen van West-Europa achteruit. In het overwinteringsgebied speelt verlies van struweel door ontginning plaatselijk mee; dicht, verwaarloosd struikgewas is voor deze soort juist gunstig.

Wetenschappelijke naam

Sylvia borin | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla Borin; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sylvia werd in 1769 ingevoerd door Scopoli. Sylvia is nieuwlatijn silvia, een bosnimf, bij silva 'bos'; de naam ging over op kleine zangvogels van struweel en kreupelhout. borin is een volksnaam voor de vogel uit de streek van Genua, afgeleid van het Latijnse bos 'os', omdat men meende dat de vogel de ossen volgde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.