Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Tuinfluiter
Tuinfluiter | Sylvia borin
Garden Warbler | Curruca Mosquitera
De tuinfluiter is een Palearctische trekvogel die van november tot april in dichte struwelen in het noorden en oosten van het gebied overwintert. Het is een van de kenmerkloosste zangers van Afrika: juist het ontbreken van tekening is zijn belangrijkste kenmerk, en in februari en maart verraadt hij zich door zijn lange, rijke zang.
Geluid
De zang is een lange, gelijkmatige en snelle stroom van zachte, rijke en welluidende tonen, dieper en meer doorlopend dan die van de zwartkop en zonder diens heldere slotfrase. In het overwinteringsgebied vooral te horen in de laatste maanden voor het vertrek, vaak vanuit dichte dekking. De roep is een droog tsjek-tsjek en een zacht, nasaal tsjèèr.
Opname: Robin et Julien SOURIOU — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14 cm, een compacte, vrij plompe zanger met een ronde kop en een korte, dikke, donkere snavel. De bovenzijde is effen grijsbruin, de onderzijde lichter bruingrijs met een warme zeemkleurige tint op borst en flanken. Er is een grijze vlek op de halszijde en een smalle, vage lichte oogring rond het donkere oog, maar geen duidelijke wenkbrauwstreep of vleugelstreep. De poten zijn grijs. De seksen zijn gelijk. Beweegt traag en verborgen in dicht gebladerte en eet veel bessen.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje en de jonge vogel van de zwartkop Sylvia atricapilla hebben een roodbruine kap. De spotvogel Hippolais icterina is groengeel met een lange, brede, oranjeroze snavel; de Griekse spotvogel Hippolais olivetorum is groter en grijzer, met een lange snavel en een licht vleugelpaneel. De bosrietzanger Acrocephalus palustris heeft een plat voorhoofd, een langere, spitse snavel en een duidelijkere lichte teugel. De fitis Phylloscopus trochilus is kleiner en slanker, met een fijn snaveltje en een wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Dicht struweel, oeverbos en bosranden, struikgroepen en termietenheuvels met bosjes in savanne en bosveld, verwilderde tuinen en vruchtbomen; zelden in open savanne. Eet naast insecten veel vruchten en bessen, bijvoorbeeld van vijgen en Lantana.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied vooral in het noorden en oosten: Angola (behalve het droge zuidwesten), Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavango en Chobe), het noordoosten van Namibië, Eswatini en in Zuid-Afrika Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap; zeldzaam verder naar het westen en zuidwesten. Broedt in Europa en West-Siberië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, vooral ten zuiden van de evenaar.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van november tot april, het talrijkst in december tot maart. Zoek in dichte struwelen en bosjes rond vruchtdragende struiken en luister in februari en maart naar de lange zang. Het effen uiterlijk met de korte, stompe snavel en de ronde kop is de sleutel; een ‘kenmerkloze’ grijsbruine zanger in een bessenstruik is vaak deze soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De Europese broedpopulatie is groot, al gaat de soort in delen van West-Europa achteruit. In het overwinteringsgebied speelt verlies van struweel door ontginning plaatselijk mee; dicht, verwaarloosd struikgewas is voor deze soort juist gunstig.
Wetenschappelijke naam
Sylvia borin | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla Borin; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sylvia werd in 1769 ingevoerd door Scopoli. Sylvia is nieuwlatijn silvia, een bosnimf, bij silva 'bos'; de naam ging over op kleine zangvogels van struweel en kreupelhout. borin is een volksnaam voor de vogel uit de streek van Genua, afgeleid van het Latijnse bos 'os', omdat men meende dat de vogel de ossen volgde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.


