Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Kaapse rotsmus

Kaapse rotsmus | Gymnoris superciliaris

Yellow-Throated Bush Sparrow | Gorrión Cejudo

De Kaapse rotsmus is een onopvallende, musachtige bosvogel met een brede witte wenkbrauwstreep en een kleine gele keelvlek die in het veld zelden te zien is. Hij loopt als een mees langs takken en stammen van bosveld en is vaak het eerst te horen aan zijn eentonige, musachtige getjilp.

Kaapse rotsmus (Gymnoris superciliaris)
Foto: https://www.flickr.com/photos/dkeats/ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een aanhoudend, eentonig en musachtig tsjirrup-tsjirrup-tsjirrup of tsjie-tsjie-tsjie, vaak lang volgehouden vanaf een hoge tak. Daarnaast een scherp tsjip als contactroep.

Luister: VluchtroepXC643387

Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 tot 16 cm, slank voor een mus, met een vrij krachtige, spitse snavel. Kruin en wangen zijn grijsbruin, afgezet door een lange, brede crèmewitte wenkbrauwstreep die tot in de nek doorloopt en een donkere oogstreep. De rug is warmbruin met vage streping, de vleugel bruin met een smalle witachtige vleugelstreep op de middelste dekveren. De keel is wit met een kleine citroengele vlek die alleen bij goed licht of een zingende vogel opvalt; de rest van de onderdelen is lichtgrijs tot vuilwit. De snavel is in de broedtijd zwartachtig, daarbuiten hoornkleurig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels missen de gele keelvlek.

Verwarrings­soorten

De streepkopkanarie (Crithagra gularis) heeft een vergelijkbare witte wenkbrauw, maar een gestreepte kruin, een kortere, dikkere kanariesnavel, geen witte vleugelstreep en een zwakke kanariezang in plaats van getjilp. Het vrouwtje van de huismus (Passer domesticus) heeft een geelbruine wenkbrauw, een sterker gestreepte rug en leeft rond gebouwen. De Mozambiquemus (Passer diffusus) heeft een egaal grijze kop zonder wenkbrauw en een roodbruine stuit. De lange witte wenkbrauw, het boomgebonden gedrag en de stem zijn samen kenmerkend.

Leefgebied

Droog tot vrij vochtig bosveld: gemengd bosveld, miombo, mopaneveld, doornbosveld en rivierbegeleidend bos, ook oude boomgaarden en parkachtig terrein met grote bomen. Foerageert grotendeels in bomen, op takken en stammen naar insecten, en daarnaast op de grond naar zaden. Nestelt in boomholtes, oude baardvogel- en spechtengaten en soms in nestkasten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Eswatini, het noorden en oosten van Botswana, het noorden en midden van Namibië, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, de provincie Noordwest, KwaZoeloe-Natal en de Oost-Kaap tot aan de oostelijke Karoorand. Daarbuiten noordwaarts via het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania tot Kenia, Rwanda en Burundi.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het eentonige getjilp hoog in een boom van bosveld is meestal het eerste teken; zoek dan naar een slanke mus die langs een tak schuifelt. De gele keelvlek is alleen te zien wanneer de vogel omhoog zingt of recht naar je toe zit. In gemengde vogeltroepen van bosveld in de winter komt hij vaak mee.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid in bosveld, zonder aanwijzingen voor achteruitgang. Het verlies van oude bomen met holtes kan plaatselijk de nestgelegenheid beperken.

Wetenschappelijke naam

Gymnoris superciliaris | Blyth, 1845

Blyth beschreef de soort in 1845 als Gymnorhis superciliaris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gymnoris werd in 1845 ingevoerd door Blyth. Gymnoris is Grieks, van gumnos 'naakt' en rhinos 'neusgaten', naar de onbevederde neusgaten. superciliaris is Latijn voor 'met wenkbrauw', van supercilium — naar de opvallende lichte wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapstad, Zuid-Afrika.