Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine geelpootruiter

Kleine geelpootruiter | Tringa flavipes

Lesser Yellowlegs | Archibebe Patigualdo Chico

De kleine geelpootruiter is een Noord-Amerikaanse ruiter die normaal overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten tot Argentinië. Een enkele vogel steekt de Atlantische Oceaan over en belandt in zuidelijk Afrika, meestal tussen bosruiters of poelruiters op een zoetwaterpan.

Kleine geelpootruiter (Tringa flavipes)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, vlak tuu of tuu-tuu, meestal één of twee tonen, milder en minder schel dan de reeks van de bosruiter.

Luister: RoepXC1138540

Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–25 cm. Een slanke ruiter met lange, heldergele poten, een rechte, dunne zwarte snavel die ongeveer even lang is als de kop, en lange vleugels die ver achter de staart uitsteken. In winterkleed grijsbruin van boven met fijne witte stippels en veerranden, een grijs gewassen borst en een witte buik; een korte lichte wenkbrauwstreep tot aan het oog. In de vlucht een effen donkere vleugel zonder vleugelstreep en een vierkante witte stuit die niet op de rug doorloopt, met een fijn gebandeerde staart.

Verwarrings­soorten

De bosruiter Tringa glareola is kleiner en compacter, met een langere witte wenkbrauwstreep tot achter het oog, doffere geelgroene poten en kortere vleugels. De poelruiter Tringa stagnatilis heeft een naaldfijne snavel, groenige poten, een bleker gezicht en een witte wig die ver op de rug doorloopt. De groenpootruiter Tringa nebularia is veel groter, met groengrijze poten, een opgewipte snavel en eveneens een witte rugwig.

Leefgebied

Ondiepe zoete en brakke wateren met open modderranden: pannen, dammen, rioolvijvers en zoutwinningen, zelden getijdenmodder. Waadt actief en pikt snel naar prooi aan de oppervlakte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een dwaalgast met een klein aantal gevallen, vooral in Zuid-Afrika (zowel het binnenland als de kust) en daarnaast in Namibië; elders in het gebied niet of nauwelijks vastgesteld. Broedt in de boreale zone van Alaska en Canada en overwintert van de Golf van Mexico tot het zuiden van Zuid-Amerika; dwaalt geregeld naar West-Europa en veel zeldzamer naar Afrika.

Hoe en wanneer kijken

Controleer groepjes bosruiters en poelruiters op een pan of rioolvijver op een vogel met langere, heldergele poten en lange vleugelpunten. Een ruiter met bosruiterachtig postuur maar zonder lange wenkbrauwstreep verdient een tweede blik en een foto voor de zeldzaamhedencommissie.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De wereldpopulatie is in enkele decennia sterk gekrompen, vooral door jacht op overwinteringsplaatsen in het Caribisch gebied en Zuid-Amerika en door verlies van pleisterplaatsen. In het gebied speelt de soort als dwaalgast geen rol in de bescherming.

Wetenschappelijke naam

Tringa flavipes | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax flavipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. flavipes is Latijn, van flavus 'geel' en pes 'voet', naar de gele poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.