Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Siberische strandloper
Siberische strandloper | Calidris acuminata
Sharp-Tailed Sandpiper | Correlimos Acuminado
De Siberische strandloper is een middelgrote strandloper met een rossige kruin, een duidelijke witte wenkbrauwstreep en een vrij korte, iets gebogen snavel. Hij broedt op de toendra van Noordoost-Siberië en overwintert vooral in Australazië; in zuidelijk Afrika is hij een zeldzame dwaalgast, meestal tussen kemphanen en andere steltlopers.
Geluid
Een zacht, droog wiep of trrt, soms verdubbeld, en een kwetterend prrt-prrt bij het opvliegen.
Opname: Ukolov Ilya — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–22 cm. Adulten in het winterkleed zijn grijsbruin van boven met donkere veercentra, hebben een rossig getinte, fijn gestreepte kruin, een witte wenkbrauwstreep die achter het oog breder wordt en een vaalgrijze borst met vage streepjes die geleidelijk in de witte buik overgaat. Jonge vogels, die hier het vaakst opduiken, zijn fel gekleurd: een helder oranjerossige kruin, een warm oranjebeige borst met fijne streepjes alleen aan de zijkanten en een geschubde, rossig gerande rug. De snavel is donker met een lichte basis, de poten zijn groengeel. In de vlucht een smalle vleugelstreep en witte zijkanten aan een donkere stuit.
Verwarringssoorten
De gestreepte strandloper Calidris melanotos heeft een zwaar gestreepte borst die scherp afgebroken is tegen de witte buik, een minder opvallende wenkbrauwstreep en een minder rossige kruin. De kemphaan Calidris pugnax is groter, met een kleine kop op een lange hals en witte ovale vlekken op de staartbasis. De krombekstrandloper Calidris ferruginea heeft een langere, gebogen snavel, zwarte poten en een witte stuit.
Leefgebied
Modderige en grazige randen van ondiepe zoete binnenwateren, zuiveringsvijvers en overstroomd grasland, soms ook zoutwinningen en brakke lagunes aan de kust. Foerageert met vlugge, pikkende bewegingen, vaak tussen kemphanen, krombekstrandlopers en kleine strandlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied slechts een handvol gevallen, vooral uit Zuid-Afrika en Namibië, meestal tussen oktober en april. Buiten het gebied broedt hij in Noordoost-Siberië en overwintert hij in Nieuw-Guinea, Australië en Nieuw-Zeeland; ook elders in Afrika en Europa een dwaalgast.
Hoe en wanneer kijken
Controleer grote groepen kemphanen en krombekstrandlopers op pannen en zuiveringsvijvers op een vogel met een opvallend rossige pet en een witte wenkbrauwstreep. Let op de overgang van borst naar buik: geleidelijk bij deze soort, scherp afgebroken bij de gestreepte strandloper. Bewijsfoto's en een beschrijving zijn nodig voor de rarities-commissie.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar: de wereldpopulatie neemt snel af door verlies van getijdengebieden en wetlands langs de Oost-Aziatische trekroute, vooral rond de Gele Zee. De dwaalgasten in zuidelijk Afrika hebben geen invloed op de populatie.
Wetenschappelijke naam
Calidris acuminata | (Horsfield, 1821)
Horsfield beschreef de soort in 1821 als Totanus acuminatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. acuminata is Latijn voor 'spits toelopend', naar de scherp gepunte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java.
