Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Temmincks strandloper

Temmincks strandloper | Calidris temminckii

Temminck's Stint | Correlimos de Temminck

Temmincks strandloper is een van de kleinste steltlopers, een egaal grijsbruin, wat langgerekt vogeltje met korte, lichte poten. Hij broedt van Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert vooral in de Sahel, Oost-Afrika en Zuid-Azië; in zuidelijk Afrika is hij een zeldzame dwaalgast op zoete binnenwateren.

Temmincks strandloper (Calidris temminckii)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kenmerkend hoog, droog triller, tirrrr of trrrrit, vaak herhaald bij het opvliegen, wanneer de vogel steil en schokkerig wegvliegt.

Luister: VluchtroepXC1167409

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Van boven egaal grijsbruin, zonder duidelijke lichte banen op de rug; de borst is effen grijsbruin en vormt een gesloten borstband, scherp begrensd tegen de witte buik, wat hem een oeverloperachtig uiterlijk geeft. De kop is vrij effen met een onduidelijke lichte oogring. De snavel is kort, dun en donker, iets gebogen aan de punt. De poten zijn geelgroen tot vaalgeel, een belangrijk verschil met de kleine strandloper. De staart steekt iets voorbij de vleugelpunten en heeft witte buitenste staartpennen, goed zichtbaar bij het opvliegen. Houding gedrongen en horizontaal; loopt langzaam en kruipt bijna over de grond.

Verwarrings­soorten

De kleine strandloper Calidris minuta heeft zwarte poten, een wittere borst met alleen gestreepte zijkanten, een lichte V op de rug en grijze buitenste staartpennen. De oeverloper Actitis hypoleucos is veel groter, met een langere snavel, een witte haak voor de vleugelbocht en een wippende gang. Bairds strandloper Calidris bairdii, eveneens een dwaalgast, is groter en langgerekter, met zwarte poten en lange vleugels die ver voorbij de staart reiken.

Leefgebied

Modderige en grazige randen van kleine, beschutte zoete wateren: rivieroevers, dammen, zuiveringsvijvers en overstroomd grasland met vegetatie, zelden aan de kust. Houdt zich vaak op aan de binnenkant van oevervegetatie en loopt alleen of in kleine groepjes, minder op open slik dan de kleine strandloper.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied een zeldzame dwaalgast met verspreide gevallen, vooral in het noorden (Zambia, Malawi, Zimbabwe) en uitzonderlijk verder zuidelijk tot in Zuid-Afrika. Buiten het gebied overwintert hij in de Sahel, in Oost-Afrika tot Tanzania, rond de Middellandse Zee en in Zuid- en Zuidoost-Azië.

Hoe en wanneer kijken

Loop de begroeide randen van zuiveringsvijvers en dammen langzaam af en let op een klein grijsbruin vogeltje met lichte poten dat zich klein maakt tussen de vegetatie. Bij het opvliegen verraadt de droge triller de soort, samen met de witte buitenste staartpennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en min of meer stabiel. De soort is in zuidelijk Afrika zo zeldzaam dat regionale bescherming niet aan de orde is.

Wetenschappelijke naam

Calidris temminckii | (Leisler, 1812)

Leisler beschreef de soort in 1812 als Tringa Temminckii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. temminckii eert de Nederlandse zoöloog Coenraad Jacob Temminck (1778–1858), de eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hanau in Duitsland.