Alle soorten › Spechtachtigen › Honingspeurders › Kleine honingspeurder

Kleine honingspeurder | Indicator minor

Lesser Honeyguide | Indicador Menor

De kleine honingspeurder is de algemeenste honingspeurder van het gebied en de enige die geregeld in tuinen en parken opduikt. Hij leidt geen mensen, maar komt wel af op bijenkasten en was, en parasiteert vooral op baardvogels.

Kleine honingspeurder (Indicator minor)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept vanaf een vaste roeptak een reeks van tien tot dertig gelijke, heldere tonen, kliew-kliew-kliew, soms pieuw, met korte tussenpozen urenlang herhaald. Verder weinig geluid.

Luister: ZangXC1088005

Opname: Marc Languy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 15 cm, gedrongen met een korte, stompe snavel. Kop grijs met een klein wit vlekje tussen snavel en oog en een smalle zwarte baardstreep. Rug en vleugels olijfgroen, onderdelen lichtgrijs, naar de buik witter. De buitenste staartpennen zijn wit met donkere punten en vallen op bij het wegvliegen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels missen de baardstreep grotendeels.

Verwarrings­soorten

De bleke honingspeurder (Indicator meliphilus) is kleiner, met een groener aangelopen kop, geen baardstreep en een lichtere onderzijde. De schubkeelhoningspeurder (Indicator variegatus) is groter, met gevlekte keel en borst. De bruinrughoningspeurder (Prodotiscus regulus) heeft een dunne, spitse snavel en een bruine rug. De grijze kop met witte teugelvlek en zwarte baardstreep is kenmerkend.

Leefgebied

Allerlei beboste landschappen: gemengd bosveld, oeverbos, bosranden, miombo, plantages, parken en tuinen met hoge bomen; ontbreekt in open grasland en woestijn. Eet was, bijenlarven en insecten. Broedparasiet van baardvogels, vooral de zwarthalsbaardvogel, en daarnaast van spechten en ketellappers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië, Eswatini, Lesotho (plaatselijk) en een groot deel van Zuid-Afrika tot in de West-Kaap. Ontbreekt in de Namib en de droogste Karoo. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de vroege ochtend naar het herhaalde kliew vanaf een kale tak; de vogel zit daar vaak lang stil en is dan goed te bekijken. In tuinen komt hij op bijenkasten, kaarsvet en honingresten af, en baardvogels jagen hem geregeld luidruchtig weg bij hun nest.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Profiteert van aanplant van bomen in tuinen en steden en van de uitbreiding van gastheren zoals de zwarthalsbaardvogel.

Wetenschappelijke naam

Indicator minor | Stephens, 1815

Stephens beschreef de soort in 1815 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Indicator voerde hij in datzelfde werk in. Indicator is Latijn voor 'aanwijzer, verklikker' — naar het beroemde gedrag van de grote honingspeurder, die mensen naar bijennesten leidt. minor is Latijn voor 'kleiner' — kleiner dan de grote honingspeurder. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwartkopsrivier bij Uitenhage, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.