Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleine jager

Kleine jager | Stercorarius parasiticus

Parasitic Jaeger | Págalo Parásito

De kleine jager is een slanke, valkachtige zeevogel die zijn voedsel grotendeels steelt door sterns en meeuwen in een wilde achtervolging te dwingen hun prooi los te laten. Hij is de meest geziene jager langs de kust van zuidelijk Afrika, en de enige die er geregeld vanaf het land te zien is.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)
Foto: AWeith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee vrijwel zwijgend; soms een nasaal, miauwend ie-ah tijdens achtervolgingen.

Luister: VluchtroepXC1168673

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

41–46 cm, inclusief de korte, puntige verlengde middelste staartpennen. Er is een lichte en een donkere vorm, met tussenvormen. Lichte adulten hebben een donker grijsbruine kap, bleekgele wangen, witte onderdelen en vaak een vage grijze borstband; donkere adulten zijn geheel donker grijsbruin. In vlucht toont hij een witte vlek aan de basis van de handpennen, boven beperkt tot de schachten van drie tot vijf pennen. Jonge vogels zijn variabel, meestal warm roestbruin met gebandeerde onder- en bovenstaartdekveren en korte, puntige staartspitsen. In de noordelijke winter zijn adulten vaak in rui en missen ze de verlengde staartpennen. De vlucht is snel en wendbaar.

Verwarrings­soorten

De middelste jager Stercorarius pomarinus is forser en borstiger, met een brede vleugelbasis, een zware tweekleurige snavel, bij adulten lepelvormige staartpennen en een tragere vleugelslag. De kleinste jager Stercorarius longicaudus is slanker en grijzer van boven, zonder borstband, met een kleinere witte vleugelvlek en zeer lange staartpennen; jonge vogels zijn koud grijsbruin met scherp gebandeerde onderstaart. De bruine jager Stercorarius antarcticus is veel groter en zwaarder, met brede vleugels en grote witte vleugelvlekken.

Leefgebied

Vooral nabij de kust: baaien, havens, lagunes en riviermondingen, en tot enkele tientallen kilometers uit de kust, overal waar sterns en meeuwen foerageren. Volgt groepen sterns naar hun rustplaatsen en achtervolgt ze vandaar tot ze hun vis laten vallen. Rust op het water of op zandbanken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Langs de hele kust van het gebied, van Angola via Namibië en Zuid-Afrika tot Mozambique; het talrijkst langs de westkust en rond de Kaap (onder meer Walvisbaai, Saldanhabaai en Valsbaai), schaarser langs de oostkust. Landinwaarts uitzonderlijk. Broedt rond de hele Noordpool op toendra en kusten; overwintert op de zeeën van het zuidelijk halfrond.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bij grote rustplaatsen van sterns, zoals in de lagunes van Walvisbaai en Langebaan, of kijk vanaf kapen tijdens de zeetrek. Een plots opvliegende zwerm sterns is vaak het eerste teken; de jager volgt elke draai van zijn slachtoffer. Tussen oktober en april is hij op een goede dag vanaf het strand te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een zeer grote wereldpopulatie. In de broedgebieden gaan sommige populaties, zoals in Schotland, sterk achteruit door voedseltekort bij de zeevogels waarvan hij steelt.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. parasiticus is Latijn voor 'parasitair', naar de gewoonte andere zeevogels hun vangst afhandig te maken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.