Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Kleine karekiet
Kleine karekiet | Acrocephalus scirpaceus
Common Reed Warbler | Carricero Común
De kleine karekiet is de gewone, egaal bruine rietzanger van rietkragen en lisdoddevelden in vrijwel het hele gebied. In de huidige indeling omvat de soort ook de vroegere Afrikaanse karekiet (baeticatus-groep), die hier broedt, naast Palearctische vogels die in het noorden van het gebied overwinteren. Zijn ritmische, krassende zang is een vast geluid van elk rietveld in de zomer.
Geluid
De zang is een ritmisch, herhalend gekras en getjirp, tjirri-tjirri-tjerk-tjerk-tjiri-tjiri, in een gelijkmatig tempo, met af en toe een fluittoon of imitatie; minder snel en wild dan die van de rietzanger en veel minder melodieus dan die van de Kaapse rietzanger. Roep een kort tsjk en bij onrust een schurend tsjarr.
Opname: Fernand Deroussen — CC BY-NC 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, slank, met een vlakke kop, een vrij lange, spitse snavel en een afgeronde staart. De bovendelen zijn egaal warm bruin, op de stuit roestiger; de keel is wit en de onderdelen zijn beigewit, op de flanken warm okerbruin. Een korte, vage lichte wenkbrauwstreep loopt vooral vóór het oog. De poten zijn donker grijsbruin. Afrikaanse broedvogels zijn kleiner, warmer en roodbruiner, met kortere, rondere vleugels en een korte handpenprojectie; Palearctische vogels zijn iets grijzer olijfbruin en langer gevleugeld. De seksen zijn gelijk. Klimt behendig langs rietstengels en houdt zich meestal in de dekking op.
Verwarringssoorten
De bosrietzanger Acrocephalus palustris is koeler olijfbruin, zonder roestige stuit, met lichtere poten en een langere handpenprojectie, leeft vooral in struiken en zingt met veel imitaties; zonder zang is onderscheid lastig. De Kaapse rietzanger Acrocephalus gracilirostris is groter, met een duidelijke witte wenkbrauwstreep, een witte buik, donkere poten en een rijke, vloeiende zang. De grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is veel groter en zwaarder gebouwd, met een luide, knarsende zang. De rietzanger Acrocephalus schoenobaenus heeft een gestreepte rug en een brede roomkleurige wenkbrauwstreep. De moerasstruikzanger Bradypterus baboecala is donkerder, met een gestippelde keel en een brede staart.
Leefgebied
Rietkragen, lisdodde, biezen en papyrusranden langs rivieren, dammen, vleien, rioolzuiveringsvijvers en estuaria, ook in kleine rietveldjes en ruige oevervegetatie; buiten de broedtijd ook in struiken en ruigte langs water en in tuinen. Zoekt insecten tussen de stengels. Het nest is een diep, tussen een paar rietstengels opgehangen kommetje en wordt vaak door koekoeken geparasiteerd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In geschikt moeras over vrijwel het hele gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana (vooral Okavango en Chobe), Namibië (vooral langs de noordelijke rivieren en de Oranjerivier), Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini; ontbreekt in grote delen van de droge Kalahari en de Namib. In het binnenland van Zuid-Afrika is de soort vooral zomergast, in de West-Kaap en langs de kust deels standvogel; Palearctische overwinteraars komen vooral in het noorden van het gebied voor. Verder broedt de soort in Afrika ten zuiden van de Sahara plaatselijk en in Europa, Noord-Afrika en West- en Centraal-Azië; de Palearctische vogels overwinteren in tropisch Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van oktober tot april zingen de broedvogels in vrijwel elk rietveld; de West-Kaap heeft vogels het hele jaar. Goede plekken zijn de rietkragen van Rondevlei en Strandfontein bij Kaapstad, Marievale in Gauteng en Nylsvley. Laat de zang het werk doen: het ritmische gekras onderscheidt de soort van de rijke zang van de Kaapse rietzanger in hetzelfde riet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met grote populaties in Afrika en de Palearctis. Plaatselijk verdwijnt rietmoeras door drooglegging, dambouw, verbranden en vervuiling, maar de soort profiteert elders van nieuwe dammen en rioolzuiveringsvijvers.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus scirpaceus | (Hermann, 1804)
Hermann beschreef de soort in 1804 als Turdus scirpaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. scirpaceus is Latijn voor 'van de biezen', bij scirpus 'bies'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Elzas.

