Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Bosrietzanger
Bosrietzanger | Acrocephalus palustris
Marsh Warbler | Carricero Políglota
De bosrietzanger is een egale, olijfbruine Palearctische zanger die laat in het jaar, vanaf december, het oosten van het gebied bereikt en tot april blijft. Hij leeft meestal niet in riet maar in dichte struiken en ruigte, ook ver van water, en is bekend om zijn virtuoze zang vol imitaties van Europese én Afrikaanse vogels.
Geluid
De zang is snel, vloeiend en zeer gevarieerd, een aaneenschakeling van imitaties van tientallen soorten, waaronder in Afrika opgedane geluiden van bijvoorbeeld buulbuuls, graszangers en wevers, afgewisseld met eigen nasale zie-tsjee-klanken en trillers; hij zingt in het gebied volop van januari tot april, vaak ook ’s nachts. Roep een hard tsjek en een schurend tsjrr.
Opname: FlackoWeasel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm, met een ronde kop, een vrij brede snavel met een lichte ondersnavel en een korte, iets afgeronde staart. De bovendelen zijn egaal koel olijfbruin, zonder roestkleurige stuit; de keel is helder wit en de rest van de onderdelen vuilwit met een zwakke geelbeige waas. Een korte, vage wenkbrauwstreep loopt vooral vóór het oog. De handpenprojectie is lang, met acht zichtbare, licht getopte handpennen; de poten zijn geelroze tot lichtbruin, met lichte klauwen. De seksen zijn gelijk; eerstejaars in de winter zijn warmer bruin en lijken sterk op de kleine karekiet. Beweegt schuw door dichte struiken en toont zich zelden lang.
Verwarringssoorten
De kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus is warmer bruin met een roestige stuit, heeft een kortere handpenprojectie en donkerder poten, en leeft vooral in riet; de zang is een ritmisch, herhalend gekras zonder de vele imitaties. Zonder zang zijn de twee in het veld vaak niet met zekerheid te scheiden. De krekelzanger Locustella fluviatilis heeft een fijn gestreepte keel, lange, lichtgetopte onderstaartdekveren en zingt een aanhoudend, insectachtig gezoem. De tuinfluiter Sylvia borin is grijsbruin, met een korte, stompe snavel en een vriendelijke, open kop. De spotvogel Hippolais icterina is groengeel met een licht vleugelpaneel.
Leefgebied
Dichte struiken, ranken en ruige kruiden in savanne en bosveld, in de onderbegroeiing van oeverbos, bosranden en struikgewas op termietenheuvels, in tuinen en verwaarloosde hoeken van landbouwgebied, vaak ver van water; soms ook in ruigte langs moerassen. Foerageert laag tot middelhoog op insecten en eet ook bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied vooral in het oosten: Malawi, het oosten van Zambia, Zimbabwe, Mozambique, het oosten van Botswana, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, Noordwest, KwaZoeloe-Natal, Eswatini, het oosten van de Vrijstaat en de Oost-Kaap; schaars in het noorden van Namibië en het zuiden van Angola. Broedt in Europa en West-Azië en overwintert vrijwel geheel in zuidoostelijk Afrika, na een lange tussenstop in Oost-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van december tot april; luister in ruige struikgebieden en tuinen naar de onafgebroken, snelle zang vol imitaties uit een dichte struik, bijvoorbeeld in het Krugerpark, rond Pretoria of in de kustbossen van KwaZoeloe-Natal. Een langdurig ‘gemengd koor’ van Afrikaanse vogelgeluiden uit één struik is vaak een bosrietzanger; met geduld komt hij even aan de rand en zijn de lichte keel en de lichte poten te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een grote en in het noorden en oosten van het broedgebied uitbreidende populatie. In het overwinteringsgebied is de soort tolerant ten aanzien van verstoorde vegetatie; verlies van struikgewas door ontginning speelt plaatselijk mee.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus palustris | (Bechstein, 1798)
Bechstein beschreef de soort in 1798 als Motacilla s. Sylvia palustris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. palustris is Latijn voor 'moerassig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.


