Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Kleine kraaghoningzuiger

Kleine kraaghoningzuiger | Cinnyris chalybeus

Southern Double-Collared Sunbird | Suimanga Acerado

De kleine kraaghoningzuiger is een kleine honingzuiger waarvan het mannetje een smalle scharlakenrode borstband onder een metaalgroene keel draagt. Hij is een van de talrijkste nectarvogels van de fynbos en van tuinen in de Kaap.

Kleine kraaghoningzuiger (Cinnyris chalybeus)
Hoofdfoto · Foto: Gregory "Slobirdr" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een scherp, metalig tsjing-tsjing als contactroep, vaak in serie. Het gezang is een snel, krassend en kwetterend mengsel van hoge noten dat enkele seconden aanhoudt, gebracht vanaf een struiktop of een bloeiende tak.

Luister: ZangXC1166433

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en kort van snavel, 11 tot 13 cm lang en 6 tot 10 gram zwaar. Het mannetje heeft een metaalgroene kop, keel en bovendelen, daaronder een smalle blauwviolette band en vervolgens een scharlakenrode borstband van ongeveer een centimeter breed; de buik is grijsolijf. Bij baltsen worden gele okselpluimen zichtbaar. Het vrouwtje is effen grijsbruin boven en lichter grijsbeige onder, zonder rood. De snavel is kort en gebogen. In slecht licht lijkt het metaalgroen van het mannetje zwart.

Verwarrings­soorten

De grote kraaghoningzuiger (Cinnyris afer) is merkbaar groter, ongeveer 14 cm, met een ruwweg twee keer zo brede rode borstband en een langere, zwaardere snavel; de twee soorten komen over een groot gebied samen voor. De oranjeborsthoningzuiger (Anthobaphes violacea) van de fynbos heeft oranjegele onderdelen en lange staartpennen. Vrouwtjes van honingzuigers zijn het best op formaat en op het gezelschap waarin ze verkeren te benoemen.

Leefgebied

Fynbos, kustduinstruweel, karooruigte langs rivieren, bosranden, aanplant en tuinen met aloë's, erica's, protea's en andere nectarplanten. Hangt of zit bij de bloem en steekt de snavel erin; vangt daarnaast kleine insecten en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor zuidelijk Afrika. De soort bezet de Westelijke en Oostelijke Kaap, het zuiden en oosten van de Noord-Kaap, de westelijke Vrijstaat, Lesotho, Eswatini en KwaZulu-Natal, en bereikt langs de Oranjerivier het zuiden van Namibië. Verder naar het noorden komt ze niet.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De winter, van mei tot augustus, is de beste tijd: dan bloeien de aloë's en verzamelen zich vogels bij struiken van Aloe arborescens en Aloe ferox. In Kaapse tuinen en in Kirstenbosch is de soort het hele jaar te zien op erica's en protea's. Let bij een rood gebandeerd mannetje altijd op de breedte van de band om de grote kraaghoningzuiger uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is talrijk en de aantallen zijn stabiel. Ze profiteert van tuinen, parken en aangeplante nectarplanten, waardoor ze ook in stedelijk gebied algemeen is. Lokaal verdwijnt ze waar inheems struweel volledig wordt opgeruimd.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris chalybeus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia chalybea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. chalybeus is Latijn voor 'van staal', naar de metaalachtig glanzende, staalblauwe tot -groene kleur van de kopveren en de kraagband van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.