Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Kleine textorwever

Kleine textorwever | Ploceus intermedius

Lesser Masked Weaver | Tejedor Intermedio

De kleine textorwever is een kleine maskerwever van savanne en doornveld in het noorden en oosten van het gebied. Het broedende mannetje heeft een zwart masker dat over het voorhoofd tot op de voorkruin doorloopt, een bleek oog en blauwgrijze poten. Hij broedt in drukke kolonies, vaak in bomen boven water.

Kleine textorwever (Ploceus intermedius)
Hoofdfoto · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een snel, schurend en sissend gekwetter, sterk lijkend op dat van de zuidelijke maskerwever maar ijler, voorgedragen met trillende vleugels onder het nest, en een kort tsjuk als contactroep. Een kolonie levert een aanhoudend geruis.

Luister: ZangXC755909

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm. Het mannetje in broedkleed is helder geel, met een zwart masker over voorhoofd, voorkruin, gezicht en keel dat op de keel in een punt eindigt, en een geelgroene, licht gestreepte rug. Het oog is bleekgeel tot witachtig, de snavel zwart en de poten blauwgrijs. Buiten de broedtijd lijkt het mannetje op het vrouwtje. Het vrouwtje is olijfgroen van boven, geel op keel en borst en witachtig op de buik, met een bleek oog, een hoornkleurige snavel en eveneens blauwgrijze poten. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar met een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

Bij de zuidelijke maskerwever (Ploceus velatus) houdt het masker van het mannetje op boven de snavelbasis, zodat het voorhoofd geel blijft; het oog is rood en de poten zijn roze-achtig. De grote textorwever (Ploceus cucullatus) is groter, met een zwart gevlekte rug en een rood oog. De Katangamaskerwever (Ploceus katangae) in het noorden van Zambia heeft een geel voorhoofd en een roodbruine waas rond het masker. Bij vrouwtjes zijn het bleke oog en de blauwgrijze poten het beste kenmerk; vrouwtjes van de andere maskerwevers hebben een bruin of roodachtig oog en roze-achtige poten.

Leefgebied

Acaciasavanne, doornveld, mopaneveld en open bosveld, vaak bij rivieren, pannen en dammen, ook in dorpen en tuinen. Broedt in kolonies, dikwijls in bomen boven water, en regelmatig samen met de grote textorwever. Het nest is een compact, rond nest van fijn gras en bladstroken met een korte ingangskoker aan de onderzijde. Eet zaden, insecten en nectar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noorden en oosten van het gebied: Limpopo, Mpumalanga en het noorden van KwaZoeloe-Natal in Zuid-Afrika, Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noordoosten van Namibië, Zambia, Malawi en het zuiden van Angola. Ontbreekt in het koele binnenland van het Hoogveld en in het droge westen. Daarbuiten via Oost-Afrika noordelijk tot Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best in de zomer bij dammen en rivieren in het Krugerpark, het laagveld van Eswatini of het noorden van Botswana, waar kolonies in bomen boven het water hangen, vaak gemengd met de grote textorwever. Kijk eerst naar het voorhoofd: zwart bij deze soort, geel bij de zuidelijke maskerwever. Bij vrouwtjes geven het bleke oog en de blauwgrijze poten de doorslag.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in geschikt habitat en wijdverspreid. Wordt geparasiteerd door de diederikkoekoek.

Wetenschappelijke naam

Ploceus intermedius | Rüppell, 1845

Rüppell beschreef de soort in 1845 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus komt van het Griekse plokeus, 'vlechter, wever', naar het bolvormige, strak gevlochten nest waar wevers hun naam aan danken. intermedius is Latijn voor 'tussenliggend' — omdat de soort qua kenmerken tussen andere maskerwevers in leek te staan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Shewa (Shoa), Ethiopië.