Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Kurrichanelijster

Kurrichanelijster | Turdus libonyana

Kurrichane Thrush | Zorzal de Kurrichane

De Kurrichanelijster is de lijster van het bosveld: een grijsbruine vogel met een felle oranje snavel en zwarte baardstrepen, die over kale grond onder de bomen rent. Zijn heldere, dalende fluittoon is een van de karakteristieke geluiden van savannebos en tuinen in het noorden van het gebied.

Kurrichanelijster (Turdus libonyana)
Foto: Stephen Temple from Cape Town, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, helder en dalend fluitje pie-oe-wiet of piet-pioe, vaak in de schemering, en is zeer kenmerkend. De zang is een gevarieerde reeks melodieuze fluittonen en kwetterende frasen, met imitaties van andere vogels, vooral in het voorjaar en de vroege zomer. Bij alarm een scherp tsjik-tsjik.

Luister: ZangXC882436

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote lijster van 21 tot 22 cm. De bovenzijde is effen grijsbruin, de keel wit met twee opvallende zwarte baardstrepen. De borst is lichtgrijs, de flanken zijn oranje en de buik is wit. De snavel is helder oranje, de poten zijn lichtbruin en het oog wordt omgeven door een smalle oranje ring. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben lichte vlekjes op de bovenzijde en zwarte vlekken op borst en flanken.

Verwarrings­soorten

De Kaapse lijster (Turdus olivaceus) is donkerder olijfbruin, mist de zwarte baardstrepen en heeft een oranje buik; hij leeft vooral in bergbos en tuinen van het Hoëveld en de Kaap. De Afrikaanse lijster (Turdus pelios) in het noorden van Angola, Zambia en Malawi is valer, met een gele snavel, bleke flanken en hooguit vage keelstreepjes. De acacialijster (Turdus litsitsirupa) is gevlekt en staat rechtop op open grond. De Karoolijster (Turdus smithi) van het droge westen is donkergrijs zonder baardstrepen.

Leefgebied

Droog en vochtig savannebos, miombo, gemengd bosveld, rivierbos, en in het zuiden ook tuinen, parken en boerenerven met grote bomen. Foerageert op de grond op insecten, wormen en slakken, vaak op kale plekken onder bomen, en eet ook vruchten. Het nest is een kom van gras en modder in een boomvork of op een tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid door het noordelijk en oostelijk deel van het gebied: Angola (behalve het droge zuidwesten), Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noordoosten van Namibië met de Caprivi, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Noordwest, Gauteng en het noorden van KwaZulu-Natal, verder Eswatini. Buiten het gebied tot in het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in de ochtend- en avondschemering naar het dalende pie-oe-wiet; dat verraadt de vogel ruim voor je hem ziet. Kijk daarna op kale grond onder bomen in kampen en lodges. In Pretoria en Johannesburg overlappen Kurrichanelijster en Kaapse lijster: de witte buik en de zwarte baardstrepen maken de Kurrichanelijster direct herkenbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en wijdverbreid, heeft zich in het Hoëveld met de groei van tuinen en parken uitgebreid en de populatie is stabiel. Lokaal verdwijnt ze door kap van savannebos voor houtskool en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Turdus libonyana | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Merula Libonyana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. libonyana gaat terug op lebonyana, de Tswana-naam van de roodsnavelbuffelwever — kennelijk door Andrew Smith op deze lijster overgedragen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaditshwene ('Kurrichane'), bij Zeerust, Zuid-Afrika.