Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Langteenkievit

Langteenkievit | Vanellus crassirostris

Long-Toed Lapwing | Avefría Palustre

De langteenkievit is de kievit van de drijvende planten. Met zijn uitzonderlijk lange tenen loopt hij over waterlelies en waterkool als een jacana, ver van de oever. In het gebied is hij gebonden aan de grote vloedvlakten van de Okavango, de Chobe, de Zambezi en de Kafue.

Langteenkievit (Vanellus crassirostris)
Foto: danharville — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een metaalachtig kik-kik-kik of tik-tik, lijkend op dat van de wapenkievit maar zachter en minder helder. Bij verstoring een snel, schel alarm en duikvluchten boven het nest.

Luister: RoepXC1083147

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–31 cm. Gezicht, voorhoofd, keel en voorhals zijn wit en steken scherp af tegen de zwarte achterkruin, achterhals en borst, die samen een zwarte kap met brede borstband vormen. De rug is grijsbruin, de buik wit. De vleugeldekveren zijn grotendeels wit, zodat de vleugel in de vlucht wit is met zwarte handpennen. De snavel is dofrood met een zwarte punt, het oog rood, de poten dofrood met zeer lange tenen. Op de vleugelbocht zit een kleine spoor. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels hebben bruine veerzomen en een doffer zwart.

Verwarrings­soorten

De wapenkievit Vanellus armatus heeft een witte kruin en een zwart gezicht, precies omgekeerd aan de langteenkievit, en een grijze rug. De lelkievit Vanellus senegallus is grijsbruin met gele lellen en gele poten en staat meestal op de oever of in nat grasland, niet op drijvende planten. Vergelijk ook de witkruinkievit Vanellus albiceps, die op zandbanken van de grote rivieren leeft en gele lellen heeft.

Leefgebied

Permanente en seizoensgebonden moerassen met drijvende vegetatie: lagunes, kanalen en ondergelopen vloedvlakten met waterlelies en waterkool, ook randen van papyrusmoeras. Foerageert lopend over de plantenmat en langs modderige randen. Het nest is een kuil in natte vegetatie of op een drijvende plantenmassa.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noorden van het gebied: de Okavangodelta, de Linyanti en de Chobe in het noorden van Botswana, de Zambeziregio van Namibië, de Zambezi- en Kafuevlakten en de Bangweulumoerassen in Zambia, het Karibameer en de middelste Zambezi in Zimbabwe, en plaatselijk in Malawi en het midden van Mozambique; ook in het oosten van Angola. Dwaalgast in het noordoosten van Zuid-Afrika. Buiten het gebied noordwaarts tot Oost-Afrika, Zuid-Soedan en het Tsjaadmeer.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaar of rijd langs de lagunes van de Okavango of de Chobe en zoek in de waterlelies: de witte kop en zwarte borst van de vogel vallen op tussen het groen. Vaak in paren, tussen de jacana's en de reigers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk algemeen op de grote vloedvlakten. Afhankelijk van het jaarlijkse overstromingsritme en daardoor gevoelig voor dammen en wateronttrekking stroomopwaarts.

Wetenschappelijke naam

Vanellus crassirostris | (Hartlaub, 1855)

Hartlaub beschreef de soort in 1855 als Chettusia crassirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is het verkleinwoord van het Latijnse vannus, 'wanmolen' — naar het geluid en de vorm van de brede, ronde vleugels in vlucht, die aan een wiekende wanmolen doen denken. crassirostris komt van het Latijnse crassus, 'dik', en rostrum, 'snavel' — al valt de snavel in het veld niet bijzonder dik op. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië (Soedan).