Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Wapenkievit

Wapenkievit | Vanellus armatus

Blacksmith Lapwing | Avefría Herrera

De wapenkievit is zwart, wit en grijs geblokt en staat vrijwel altijd bij water. Zijn alarmroep is een hard metalen tink tink tink als een hamer op een aambeeld; daaraan dankt hij zijn Engelse naam. Wie te dicht bij het nest komt, krijgt een duikvlucht over zich heen.

Wapenkievit (Vanellus armatus)
Foto: JMK — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hard, helder, metaalachtig tink tink tink, in reeksen en vaak sneller wordend bij toenemende onrust; het geluid draagt ver over open water. Ook een kort tik als contactroep en een schrille, aanhoudende reeks tijdens de duikvluchten op indringers, met paren en buren die samen alarmeren.

Luister: RoepXC1173574

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm. Kruin en achterhals zijn wit, voorhoofd, gezicht, keel en borst zwart, de mantel en de vleugeldekveren grijs, de buik wit. In de vlucht is de vleugel zwart-wit-grijs in brede banen en is de staart wit met een zwarte eindband. Het oog is donkerrood, de snavel zwart, de poten zwart. Op de vleugelbocht zit een zwarte spoor die bij aanvallen wordt gebruikt. De geslachten zijn gelijk; het vrouwtje is gemiddeld iets groter. Jonge vogels zijn bruinig in plaats van zwart, met roestbruine veerzomen en een dof oog.

Verwarrings­soorten

De witkruinkievit Vanellus albiceps van de grote rivieren heeft een witte middenkruin, gele lellen aan de snavelbasis en gele poten. De diadeemkievit Vanellus coronatus is zandbruin met een zwarte kruin met witte ring en rode poten en houdt zich juist op droog, kort grasland op. De lelkievit Vanellus senegallus is bruin met een grijze kop en gele poten. Geen andere kievit van het gebied is zo scherp in zwart, wit en grijs verdeeld.

Leefgebied

Oevers van elk zoet water: pannen, boerendammen, riviereilanden, moerasranden, rioolwerken en natte laagten in grasland, ook op kortgegraasde weiden en gazons bij water. Foerageert lopend over open modder, korte vegetatie en de waterlijn. Het nest is een kuiltje op kale grond of kiezel, vaak op een eiland of een open oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel heel zuidelijk Afrika waar oppervlaktewater is: Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Namibië, Botswana, Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi en Angola; het talrijkst in het hoogveld en langs de grote riviersystemen, en het schaarst in de kern van de Namib en de droge Kalahari. Buiten het gebied noordwaarts tot Tanzania en Kenia. Het areaal is in de twintigste eeuw uitgebreid met de aanleg van boerendammen en irrigatie.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond bij elke dam of pan, ook midden op de dag. Loop langs de waterlijn en wacht op het alarm: het metalen getik hoor je voordat je de vogel ziet. In de broedtijd, van juli tot november, verraden paren het nest door boven je hoofd te blijven duiken en te roepen — keer dan om, want de eieren en kuikens liggen open op de grond. De kuikens drukken zich plat en zijn dan nauwelijks te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en in aantal toegenomen. De uitbreiding van boerendammen, irrigatie, rioolwerken en kortgegraasd weiland heeft het areaal noordwaarts en westwaarts vergroot. Nesten op open oevers gaan verloren bij plotselinge waterstijging en door betreding door vee en mensen.

Wetenschappelijke naam

Vanellus armatus | (Burchell, 1822)

Burchell beschreef de soort in 1822 als Charadrius armatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is het verkleinwoord van het Latijnse vannus, 'wanmolen' — naar het geluid en de vorm van de brede, ronde vleugels in vlucht, die aan een wiekende wanmolen doen denken. armatus is Latijn voor 'gewapend', naar de scherpe, gele sporen op de vleugelbocht waarmee deze kievit zich verdedigt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekwastad, Kaapprovincie.