Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Lelspreeuw

Lelspreeuw | Creatophora cinerea

Wattled Starling | Estornino Carunculado

De lelspreeuw is een bleke, nomadische spreeuw van open land die in groepen van tientallen tot duizenden vogels rondzwerft, op zoek naar plagen van sprinkhanen en rupsen. In de broedtijd verliest het mannetje de veren op de kop en krijgt het een naakte gele en zwarte kop met vreemde zwarte lellen.

Lelspreeuw (Creatophora cinerea)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrij stil voor een spreeuw. Een zacht, piepend en sissend sriee, een schor kraa en een krassende, piepende zang met fluittonen; groepen maken een aanhoudend, kwetterend geroezemoes, vooral bij de broedkolonies.

Luister: ZangXC1175763

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm. Het verenkleed is licht grijsbruin met zwarte vleugels en een zwarte, vrij korte staart; de stuit is vuilwit en valt in vlucht op. Een kleine witte vlek aan de basis van de handpennen is vooral bij mannetjes zichtbaar. Het mannetje in broedkleed heeft een kale kop met helder gele achterkop en zwarte voorzijde, en vlezige zwarte lellen op voorhoofd, kruin en keel, die per vogel sterk in grootte verschillen. Vrouwtjes en mannetjes buiten de broedtijd hebben een bevederde grijze kop met een klein naakt geel vlekje achter het oog en een smalle donkere baardstreep. De snavel is lichtroze tot hoornkleurig. Jonge vogels zijn bruiner, zonder gele huid.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en jonge vogels kunnen op een jonge spreeuw Sturnus vulgaris lijken, maar die heeft geen lichte stuit en geen contrasterend zwarte vleugels. De tweekleurige glansspreeuw Lamprotornis bicolor is donker glanzend bruin met een witte buik en een wit oog. De vaalvleugelspreeuw Onychognathus nabouroup is glanzend zwart met lichte vleugelvlakken en een oranje oog. De combinatie van grijs lijf, zwarte vleugels en staart en lichte stuit is uniek.

Leefgebied

Open grasland, doornveld, halfwoestijn en akkerland, vaak bij grazend vee en wild, waar vogels op en rond de dieren insecten vangen. Het voedsel bestaat vooral uit sprinkhanen en rupsen, verder uit vruchten. Broedt koloniaal, soms met honderden paren, in grote koepelnesten van takken en gras in doornbomen, vaak dicht bij een uitbraak van sprinkhanen, die de kolonie van voedsel voorziet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Door vrijwel het hele gebied, van de Kaap tot Angola, Zambia en Malawi, het talrijkst op het Hoogveld, in de Karoo, de Kalahari en de savannen van het noorden; schaars in gesloten bos, fynbos en de natste delen van het oosten. Door het nomadische gedrag wisselen de aantallen sterk van jaar tot jaar en van plaats tot plaats. Daarbuiten van Oost-Afrika tot Ethiopië en Somalië, en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, maar onvoorspelbaar: waar vorig jaar duizenden vogels zaten, kan het nu leeg zijn. Let op groepen bleke spreeuwen tussen grazend vee en op de witte stuit in vlucht. In jaren met veel sprinkhanen ontstaan plotseling broedkolonies; mannetjes in volledig broedkleed met grote lellen zijn dan goed te bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid en plaatselijk zeer talrijk. De aantallen schommelen met de voedselsituatie; het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen sprinkhanen kan plaatselijk van invloed zijn.

Wetenschappelijke naam

Creatophora cinerea | (Meuschen, 1787)

Meuschen beschreef de soort in 1787 als Rallus cinereus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Creatophora werd in 1847 ingevoerd door Lesson. Creatophora komt van het Griekse kreas, genitief kreatos, 'vlees', en -phoros, 'dragend' — naar de vlezige lellen en de kale gele huid op de kop van het mannetje in broedkleed. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis, 'as' — naar het grotendeels grijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.