Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Miombosavannezanger

Miombosavannezanger | Calamonastes undosus

Miombo Wren-Warbler | Camaróptera del Miombo

De miombosavannezanger is een grijze, fijn gebandeerde zanger met een lange, vaak opgewipte staart die laag in het struikgewas van miombobos leeft. Hij is lange tijd samen met de kleine savannezanger als één soort behandeld. In het gebied komt hij alleen in Angola en het noorden en westen van Zambia voor.

Miombosavannezanger (Calamonastes undosus)
Foto: michael_laick — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een lange reeks gelijke, heldere tonen, pli-pli-pli-pli-pli, die buikspreekachtig klinkt en moeilijk te lokaliseren is, vaak vanaf een verscholen tak in de ondergroei. Daarnaast een droog, ratelend trrrt als alarm en zachte klikgeluiden.

Luister: ZangXC1069747

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, met een lange, smalle staart die vaak rechtop of schuin boven de rug wordt gehouden. De bovendelen zijn egaal grijs tot bruingrijs, de vleugels iets bruiner. Kin en keel zijn lichtgrijs tot vuilwit, soms opvallend licht; borst en flanken zijn grijs met fijne, donkere dwarsbandjes, die op de buik vager worden. De iris is lichtoranje tot oranjebruin, de snavel zwart, de poten roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en minder duidelijk gebandeerd. De grijze grondkleur van het hele lichaam is het beste kenmerk: bij de andere savannezangers van het gebied is de onderzijde witter of bleek zandkleurig.

Verwarrings­soorten

De kleine savannezanger Calamonastes stierlingi heeft een bruine rug en een witte onderzijde met scherpe, zwarte bandjes, en komt in het gebied vooral ten oosten en zuiden van deze soort voor; waar de twee elkaar raken, in het oosten van Zambia, geeft de grijze grondkleur de doorslag. De gebandeerde savannezanger Calamonastes fasciolatus is bruin van boven, heeft een zandkleurige onderzijde met bruine bandering en leeft in droog doornveld in het zuidwesten van Angola en het uiterste zuidwesten van Zambia. De mekkercamaroptera Camaroptera brachyura heeft een vergelijkbare opgewipte staart maar een korte staart, groene vleugels, geen bandering en een nasaal geblaat.

Leefgebied

Ondergroei en struikgewas in miombo en ander loofhoutbos, bij voorkeur waar dichte struiken, jonge opslag en termietenheuvels met struweel voorkomen. Leeft solitair of in paren, zoekt laag en vaak op de grond naar insecten en blijft grotendeels verborgen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in Angola, van het noorden en de Lunda-provincies zuidwaarts over het centrale plateau, met een aparte ondersoort in het westen van het centrale deel (Huíla-hoogland), en in het noordwesten en noorden van Zambia. Daarbuiten van Congo-Brazzaville en het zuiden van Congo-Kinshasa oostwaarts tot Rwanda, Burundi, Tanzania en het zuidwesten van Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het meest op het gehoor te vinden. Loop in de ochtend langzaam door miombo met een rijke struiklaag, bijvoorbeeld rond Mwinilunga of op het Angolese plateau, en volg de eentonige, herhaalde reeks tonen. De vogel reageert op zachte sisgeluiden en klimt dan even hoger in een struik, de staart opgewipt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in een groot areaal en niet afhankelijk van ongerept bos: licht aangetaste miombo met een dichte struiklaag voldoet. Op de lange termijn is omvorming van miombo tot akkerland de voornaamste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Calamonastes undosus | (Reichenow, 1882)

Reichenow beschreef de soort in 1882 als Drymoeca undosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calamonastes werd in 1883 ingevoerd door Sharpe. Calamonastes komt van het Griekse kalamos, 'riet', en nastēs, 'bewoner' — 'rietbewoner', al leven deze zangers eerder in droog struikgewas. undosus is Latijn voor 'golvend', naar de fijne golvende bandering op de onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kakoma, Tanzania.