Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Ornaathoningzuiger

Ornaathoningzuiger | Cinnyris venustus

Variable Sunbird | Suimanga Variable

De ornaathoningzuiger is een kleine, kortsnavelige honingzuiger van bosranden, ruigten en tuinen op het hoogland van het noorden en oosten van het gebied. Het mannetje combineert een metaalgroene bovenkant met een paarsblauwe borst en een heldergele buik, een kleurenpatroon dat bij geen andere honingzuiger in de regio voorkomt.

Ornaathoningzuiger (Cinnyris venustus)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De roep is een scherp tsip of een droog tsjer. Het gezang is een snelle, hoge en wat krassende reeks, beginnend met herhaalde noten, tsiu-tsiu-tsiu, en overgaand in een kwetterende triller, vaak vanaf de top van een struik gezongen.

Luister: ZangXC1148942

Opname: Kileo Jumah — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, 10 tot 11 cm, met een korte, licht gebogen snavel en een vrij korte staart. Het mannetje heeft kop, keel en bovendelen metaalgroen met blauwe glans, een purperblauwe borstband die geleidelijk in de keel overgaat, en een gele tot oranjegele buik; de okselpluimen zijn oranjegeel en vooral bij de balts zichtbaar. Vleugels en staart zijn zwartachtig, de staart met blauwe glans. Het vrouwtje is grijsolijf boven met een vage lichte wenkbrauwstreep en lichtgeel onder, het geelst op de buik. Jonge mannetjes krijgen eerst vlekkerig groen op keel en rug. Een eclipskleed ontbreekt vrijwel.

Verwarrings­soorten

De witbuikhoningzuiger (Cinnyris talatala) en de Angolahoningzuiger (Cinnyris oustaleti) hebben een vergelijkbare groene bovenkant en paarse borstband, maar een witte buik. De purperbandhoningzuiger (Cinnyris bifasciatus) heeft een donkere, zwartachtige buik en een langere, sterker gebogen snavel. Vrouwtjes zijn lastiger: het vrouwtje van de witbuikhoningzuiger is vuilwit onder zonder gele toon, dat van de ornaathoningzuiger duidelijk geelachtig met een lichte wenkbrauwstreep. Let ook op habitat: de ornaathoningzuiger zit vooral in vochtige ruigte en bosranden op hoogte, de witbuikhoningzuiger in droger savannebos.

Leefgebied

Bosranden, open plekken in afromontaan bos, varen- en struikruigte op berghellingen, vochtige miombo, oeverbegroeiing en tuinen. Meestal tussen 500 en 2500 m. Foerageert op bloeiende struiken, Leonotis, aloë's en mistletoe, en vangt veel kleine insecten en spinnen tussen het blad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden en oosten: vrijwel heel Malawi, het noorden, oosten en midden van Zambia, het hoogland van Angola, het midden en westen van Mozambique (onder meer Gorongosa en de berggebieden langs de grens) en de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe. Ontbreekt in Botswana, Namibië en Zuid-Afrika. Verder over een brede gordel van West-Afrika tot Ethiopië en zuidwaarts via Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Nyanga- en Chimanimani-hooglanden en op het Zomba- en Nyika-plateau langs bosranden met bloeiende struiken, vooral in de vroege ochtend wanneer de mannetjes zingen. Een mannetje met een gele buik en een paarse borst is in het gebied onmiskenbaar; controleer bij een wit-buikige vogel altijd de witbuik- of Angolahoningzuiger.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en profiteert van ruigte, tuinen en bosranden die door menselijk gebruik ontstaan. Er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang in het gebied.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris venustus | (Shaw, 1799)

Shaw beschreef de soort in 1799 als Certhia venusta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. venustus is Latijn voor 'bekoorlijk, lieflijk', naar het fraai gekleurde mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra Leone.