Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Reichenows widavink

Reichenows widavink | Euplectes psammacromius

Montane Widowbird | Obispo Montano

Reichenows widavink is een montane wida van de hooggelegen graslanden van zuidwestelijk Tanzania en het Nyikaplateau. Het broedende mannetje is zwart met een lange, brede staart en een gele schoudervlek met een brede bruingele onderrand. In het gebied is het een specialiteit van Nyika.

Reichenows widavink (Euplectes psammacromius)
Foto: Davidk79 — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een sissend, krassend gekwetter en een droog, raspend tsjizz-tsjizz van het mannetje, vooral in de vroege ochtend en de avond. Groepen laten een kort tsjik horen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Vrouwtje circa 15–16 cm; broedend mannetje zonder staart circa 17–18 cm, met staart circa 25–30 cm. Het mannetje in broedkleed is geheel zwart met een lange, brede, iets gewelfde staart; de kleine dekveren vormen een heldergele schoudervlek, de middelste dekveren een brede bruingele tot kaneelkleurige band daaronder. De snavel is blauwgrijs. Het vrouwtje is geelbruin met zware donkere streping boven, een bleke wenkbrauw, een fijn gestreepte borst en een korte staart. Het mannetje buiten de broedtijd lijkt op het vrouwtje, maar is groter en houdt de gele en bruingele schouder. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Hartlaubs widavink (Euplectes hartlaubi) leeft lager in moerassen en heeft een meer oranje schoudervlek. De spiegelwidavink (Euplectes albonotatus) heeft een witte vleugelspiegel en een kortere staart. De geelrugwidavink (Euplectes macroura) heeft een gele mantel en een kortere staart. De roodkeelwidavink (Euplectes ardens) op Nyika heeft een rode keelband en een smalle staart. Vrouwtjes en rustkleedvogels zijn in het veld nauwelijks van andere widavinken te onderscheiden en worden het best op formaat en gezelschap van mannetjes gedetermineerd.

Leefgebied

Open montane graslanden, meestal boven 1800 m, met pollen hoog gras, vochtige laagten, vleien en randen van moerassen. De mannetjes verdedigen vooral kort na zonsopgang en voor zonsondergang hun territorium. Buiten de broedtijd in groepen in het grasland. Eet graszaden en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op het Nyikaplateau in het noorden van Malawi en het aangrenzende Zambiaanse deel van Nyika in het oosten van Zambia; eventueel ook in andere hooggelegen graslanden in het uiterste noorden van Malawi. Daarbuiten in de hooglanden van zuidwestelijk Tanzania, van Mbeya en Kitulo tot de Udzungwa- en Iringahooglanden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het Nyikaplateau in de regentijd, van december tot maart, langs de wegen over het grasland rond Chelinda: de zwarte mannetjes met gele schouders zitten op graspollen of vliegen met zwaar hangende staart laag over het gras. In de droge tijd zijn de bruine groepen veel lastiger te vinden en te bestemmen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Beperkt tot montane graslanden, maar op het Nyikaplateau en in de Tanzaniaanse hooglanden algemeen; overbegrazing, te frequent branden en omzetting van grasland in akkers kunnen lokaal een bedreiging vormen.

Wetenschappelijke naam

Euplectes psammacromius | (Reichenow, 1900)

Reichenow beschreef de soort in 1900 als Penthetria psammocromia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. psammacromius komt van het Griekse psammos, 'zand', en akrōmion, 'schouder' — naar de zandkleurige rand van de gele schoudervlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tandala, Ukinga, Zuidwest-Tanzania.