Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Rode leeuwerik

Rode leeuwerik | Calendulauda burra

Red Lark | Alondra Roja

De rode leeuwerik is een forse, zwaargebekte leeuwerik die alleen voorkomt in Boesmanland, in het noordwesten van Zuid-Afrika. Op de rode zandruggen met pollen duingras is hij vosrood als het zand onder zijn poten; op de grindvlakten ertussen leven bruinere vogels. Met zijn kleine, versnipperde areaal is het een van de meest gezochte leeuweriken van de Karoo.

Rode leeuwerik (Calendulauda burra)
Foto: Jeffrey H. Skevington — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Zingt van de top van een struik of tijdens een korte zangvlucht: enkele droge, scherpe tonen gevolgd door een rollende, vloeiende triller, ongeveer tsjip-tsjip-tsjurrrr-tsieuw. Roept een kort tsjip. Het zingen is het meest intens in de vroege ochtend en na regen.

Luister: ZangXC446065

Opname: Gareth K. — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19 cm. Een grote, stevige leeuwerik met een dikke, hoornkleurige snavel en een ronde kop. Vogels van de duinen zijn van boven vrijwel effen roodbruin met hooguit vage streping; vogels van de grindvlakten zijn doffer bruin en duidelijker gestreept op de rug. De wenkbrauwstreep is lichtbeige en weinig opvallend, de keel wit. De borst is wit tot bleekbeige met grove roodbruine tot donkere streping, de buik wit. De staart is vrij lang en donker met roodbruine randen. De sexen zijn gelijk; jonge vogels hebben lichte randen aan de veren van de bovendelen.

Verwarrings­soorten

De Karooleeuwerik Calendulauda albescens lijkt er sterk op, maar is kleiner en fijner gebekt, met een opvallende witte wenkbrauwstreep, een donkere wangvlek en scherpe zwarte streping op borst en flanken; hij leeft in karooachtig struikveld ten zuiden en westen van Boesmanland. De sabotaleeuwerik Calendulauda sabota en de savanneleeuwerik Calendulauda africanoides hebben een scherpe witte wenkbrauw en leven in bebost of struikrijk terrein. De grootsnavelleeuwerik Galerida magnirostris heeft een kuifje en een gele snavelbasis. De roodrugleeuwerik Calendulauda erythrochlamys van de Namib is kleiner en slanker; de gebieden raken elkaar niet.

Leefgebied

Rode zandduinen en zandvlakten met een losse bedekking van duingras (Stipagrostis) en lage struikjes, en aangrenzende grind- en zandvlakten van de Nama-Karoo. Foerageert op de grond op zaden en insecten en rent snel tussen de graspollen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch in Zuid-Afrika: Boesmanland in de Noord-Kaap, ruwweg van Aggeneys en Pofadder in het noorden tot Brandvlei, Kenhardt en Van Wyksvlei in het zuiden en oosten, ten zuiden van de Oranjerivier. Niet in Namibië en daarbuiten nergens.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, het best vroeg op de ochtend als mannetjes zingend op struiktoppen zitten. Zoek op de rode duinen met duingras ten westen van Brandvlei en rond Aggeneys. De combinatie van zware snavel, nauwelijks gestreepte rode rug en zijn plaats op het rode zand sluit de Karooleeuwerik vrijwel uit; bij de bruinere grindvlaktevogels let je op de grove, vage borststreping en het ontbreken van een scherpe gezichtstekening.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Het areaal is klein en versnipperd en de aantallen nemen af. Overbegrazing tast de grasbedekking van de duinen aan, en mijnbouw, wegenbouw en droogte door klimaatverandering vormen extra bedreigingen. De soort komt vrijwel alleen op particuliere boerderijgrond voor.

Wetenschappelijke naam

Calendulauda burra | (Bangs, 1930)

Bangs beschreef de soort in 1930 als Ammomanes burra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calendulauda werd in 1855 ingevoerd door Blyth. Calendulauda is een samenvoeging van twee andere leeuweriknamen: Calendula en Alauda, het Latijnse woord voor 'leeuwerik'. burra komt van het Latijnse burrus, 'rood' — naar het roodbruine verenkleed van deze leeuwerik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld in de bron.