Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Roodmaskeragapornis
Roodmaskeragapornis | Agapornis pullarius
Red-Headed Lovebird | Inseparable Carirrojo
De roodmaskeragapornis is een kleine groene agapornis met een oranjerood gezicht en een blauwe stuit, een soort van de vochtige savanne en bosranden die in ons gebied alleen in het noorden van Angola voorkomt. Hij is minder luidruchtig en minder gebonden aan water dan de agapornissen van het Zambezi-bekken, en broedt in termietennesten.
Geluid
Een hoog, dun en schel gekwetter, si-si-si, zachter dan dat van andere agapornissen; in vlucht korte, schrille roepen. Groepjes laten vaak al fouragerend een aanhoudend zacht getjilp horen.
Opname: selvino — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm, met een korte staart. Het mannetje heeft een oranjerood voorhoofd, gezicht en keel, een grasgroen lichaam en een helder hemelsblauwe stuit; de ondervleugeldekveren zijn zwart, wat in vlucht opvalt. Het vrouwtje heeft een oranjegeel gezicht en groene ondervleugeldekveren. De snavel is rood bij het mannetje en oranjerood bij het vrouwtje. Een witte oogring ontbreekt; de oogring is smal en blauwachtig. De staartpennen tonen gespreid een rode en zwarte basisband. Jonge vogels hebben een geelachtig gezicht.
Verwarringssoorten
In het noorden van Angola overlapt geen andere agapornis. De Nyasa-agapornis (Agapornis lilianae) heeft eveneens een oranjerood gezicht, maar een brede witte oogring en een groene stuit, en leeft ver naar het oosten. De perzikkopagapornis (Agapornis roseicollis) van zuidwestelijk Angola is groter, met een roze gezicht zonder zwart onder de vleugel. Ontsnapte kooivogels vormen elders de grootste bron van verwarring.
Leefgebied
Vochtige savanne met verspreide bomen, grasland aan de rand van bos, galerijbos langs rivieren en open terrein met secundaire begroeiing en akkers. Fourageert vooral op de grond en in hoge grassen op zaden, en eet verder vijgen en andere vruchten. Graaft een nestgang in actieve boomtermietennesten en soms in grondtermietenheuvels, waar de termieten de nestkamer afsluiten van de buitenwereld.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen in het noorden en noordwesten van Angola, zuidelijk tot ongeveer Cuanza Sul en Malanje, in de gordel van vochtige savanne en bosranden. Daarbuiten over een brede strook van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone en Guinee oostelijk tot Zuid-Soedan, Ethiopië, Oeganda en het noordwesten van Tanzania.
Hoe en wanneer kijken
Zoek in Angola langs bosranden en in grasland met termietennesten in de bomen, en let op kleine groepjes die laag en snel over het gras vliegen. De soort is schuwer en stiller dan andere agapornissen en wordt vaak pas opgemerkt als een groepje opvliegt uit het hoge gras.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over het grote areaal plaatselijk algemeen, hoewel sterk verspreid en weinig opvallend. Er werd veel voor de kooivogelhandel gevangen, maar de soort doet het in gevangenschap slecht omdat ze in termietennesten broedt, waardoor handelsvangst weinig renderend is. Over de aantallen in Angola is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Agapornis pullarius | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Psittacus pullarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Agapornis werd in 1836 ingevoerd door Selby. Agapornis komt van het Griekse agapē, 'liefde', en ornis, 'vogel' — naar de innige band tussen de partners van een paar. pullarius is Latijn voor 'van jonge vogels, kuikens', van pullus, 'kuiken'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ghana (aangewezen; oorspronkelijk abusievelijk ‘Azië, Ethiopië’).

