Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Roodstaartgraszanger

Roodstaartgraszanger | Cisticola rufilatus

Tinkling Cisticola | Cistícola Gris

De roodstaartgraszanger is een slanke, vrij langstaartige graszanger van droog bosveld op Kalaharizand, met een warm roestrode kruin en staart en een duidelijke witte wenkbrauwstreep. Voor een graszanger heeft hij een opvallend getekende kop, en de heldere, tinkelende zang verraadt hem van ver.

Roodstaartgraszanger (Cisticola rufilatus)
Foto: Luke Goddard — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een reeks heldere, wat melancholieke, klokjesachtige tonen, tie-tie-tie-tie of tink-tink-tink, vanaf een struiktop of lage tak gezongen. Daarnaast een langgerekt, klagend tuuuu-iie. Alarm is een droog, scheldend tsik-tsik en een snorrend trrrrr, vaak door beide partners gegeven.

Luister: AlarmroepXC715831

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kruin, oorstreek en staart zijn helder roestrood; een lange, witte wenkbrauwstreep scheidt de kruin van de roestkleurige wang en geeft de kop een tekening die bij andere graszangers van het gebied ontbreekt. De rug is grijsbruin met hooguit vage, smalle donkere streepjes en lijkt in het veld vaak effen. De vleugelpennen zijn roestig gerand. De onderdelen zijn vuilwit met een warme okerkleurige zweem op borst en flanken. De staart is lang en getrapt, roestbruin met een donkere vlek voor de lichte punt, en wordt vaak gespreid of opgewipt. De seksen zijn gelijk, het mannetje iets groter; een duidelijk seizoenskleed ontbreekt. Jonge vogels zijn valer en geliger van onderen.

Verwarrings­soorten

De ratelgraszanger Cisticola chiniana deelt vaak hetzelfde bosveld, maar is groter en forser, heeft een duidelijk gestreepte rug, een nauwelijks rossige kruin zonder witte wenkbrauw en zingt een harde ratel vanaf een struiktop. De bruinkopgraszanger Cisticola fulvicapilla heeft ook een roestbruine kap, maar een effen grijsbruine rug, een kortere staart, geen witte wenkbrauw en een eentonige reeks gelijke tonen. De rotsgraszanger Cisticola subruficapilla heeft een grijze, zwart gestreepte rug en leeft in Karoo en fynbos, buiten het areaal van de roodstaartgraszanger. Door de lange staart kan de soort ook aan een prinia doen denken, maar geen prinia heeft de roestrode kruin en staart. De combinatie van witte wenkbrauw, roestrode staart, bijna ongestreepte rug en tinkelende zang op zandbodem is beslissend.

Leefgebied

Droog, open bosveld en struikveld op diepe zandgrond: Kalahari-bosveld met trosvrucht (Terminalia sericea), Burkea en lage acacia's, met hoog gras en open plekken ertussen, ook verruigde oude akkers. Foerageert laag in het gras en onder de struiken, meestal in paren; buiten de broedtijd onopvallend en schuw.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het noorden en midden van Namibië (landinwaarts van de escarpment en oostwaarts de Kalahari in), in een groot deel van Botswana behalve het uiterste zuidwesten, in het westen van Zimbabwe (Matabeleland en Hwange), in het noorden van Zuid-Afrika (westelijk Limpopo, Noordwest en het noorden van de Noord-Kaap), in het zuiden en midden van Angola en in het westen van Zambia. Daarbuiten noordwaarts tot in de savannen van het zuidwesten van Congo-Kinshasa, Congo-Brazzaville en Gabon.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond aanwezig; het makkelijkst in de regentijd (november–maart), wanneer de mannetjes vanaf struiktoppen zingen. Goede plekken zijn het Waterbergplateau in Namibië, Hwange NP en het Central Kalahari Game Reserve. Luister naar de tinkelende reeks en zoek dan een struik met een vogel die zijn roestrode staart spreidt. Buiten de broedtijd vliegt hij bij verstoring laag weg en duikt in het gras; zacht sissen lokt hem soms terug naar een uitkijkpost.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen tot vrij algemeen in geschikt bosveld op zand en over een groot areaal verspreid. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door omzetting in landbouwgrond en door verdichting van de struiklaag bij overbegrazing.

Wetenschappelijke naam

Cisticola rufilatus | (Hartlaub, 1870)

Hartlaub beschreef de soort in 1870 als Drymoica rufilata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. rufilatus komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en latus, 'flank' — naar de roestkleurige tinten op flanken en staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië.