Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Roodwangnachtzwaluw

Roodwangnachtzwaluw | Caprimulgus rufigena

Rufous-Cheeked Nightjar | Chotacabras Carirrojo

De roodwangnachtzwaluw is de nachtzwaluw van het droge westen. Zijn langgerekte, mechanische snorren, dat op een ver draaiende tweetaktmotor lijkt, is in zomernachten een van de typische geluiden van de Kalahari en de Karoo.

Roodwangnachtzwaluw (Caprimulgus rufigena)
Foto: scottfrichardson — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een lang aangehouden, egaal snorrend trrrrrrrrrrr dat soms minutenlang duurt, vaak ingeleid of afgesloten met enkele doffe tsjoek-tsjoek-tonen. Wordt vanaf de grond of een lage tak voortgebracht, vooral in de eerste uren na zonsondergang en bij maanlicht.

Luister: ZangXC892953

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm. Een middelgrote, vrij bleke en grijze nachtzwaluw met fijne vermiculatie, zwarte lengtestrepen op de kruin en een oranjebruine tot roomkleurige nekband. De naam verwijst naar de roestbruine wang, die in het veld weinig opvalt. De keel heeft een witte vlek, de schouders een lichte rand. Het mannetje heeft witte vlekken op de vier buitenste handpennen en witte staarthoeken; bij het vrouwtje zijn de vleugelvlekken kleiner en bleker en ontbreken de witte staarthoeken grotendeels.

Verwarrings­soorten

De roesthalsnachtzwaluw (Caprimulgus pectoralis) is warmer en donkerder, met een roestbruine keel en borst en een duidelijker oranjebruine kraag; zijn fluitende zang is geheel anders. De Gabonnachtzwaluw (Caprimulgus fossii) heeft meer wit langs de hele buitenrand van de staart en een lichte band op de vleugeldekveren, en leeft vooral in het oosten. De rotsnachtzwaluw (Caprimulgus tristigma) is donkerder en zit op rotsen. Bij zwijgende vogels blijft het onderscheid lastig.

Leefgebied

Droge savanne, Kalahari-doornveld, struikkaroo en open, stenige vlakten met verspreide struiken. Rust overdag op de grond, vaak op kaal zand of tussen stenen, en jaagt vanaf de grond of in korte vluchten op motten en kevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het westen en midden van het gebied: Namibië, Botswana, het westen van Zimbabwe, het zuiden van Angola en in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, de Karoo, de Vrijstaat en het westen van Noordwest en Limpopo, oostwaarts schaarser. Trekt na de broedtijd naar de savannes van West- en Centraal-Afrika, van Kameroen en Tsjaad tot Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot februari op een warme, windstille avond in de Kalahari of de Karoo. Stop langs een zandweg en luister: het snorren draagt ver. Met een zaklamp is de roepende vogel vaak op de grond of op een paal te vinden; op zandwegen verraden rood oplichtende ogen de rustende vogels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid in het droge westen. Er zijn geen aanwijzingen voor grote afnames. Verkeersslachtoffers op onverharde wegen komen plaatselijk veel voor.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus rufigena | Smith, 1845

Smith beschreef de soort in 1845 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. rufigena komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en gena, 'wang' — naar de roestkleurige wangen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit oostelijke Kaapprovincie, Zuid-Afrika.