Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Rüppells papegaai

Rüppells papegaai | Poicephalus rueppellii

Rüppell's Parrot | Lorito de Rüppell

De Rüppells papegaai is een kleine, grijsbruine papegaai van het droge noordwesten van Namibië en het zuidwesten van Angola, het enige gebied ter wereld waar hij voorkomt. Het is een van de weinige papegaaien waarbij het vrouwtje bonter gekleurd is dan het mannetje.

Rüppells papegaai (Poicephalus rueppellii)
Foto: Ragnhild&Neil Crawford from Sweden — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, hoog tsjie-tsjie en een hard, krijsend krie-krie, meestal in vlucht; zittend zachter gebabbel. De roepen zijn wat schraler en hoger dan bij de Meyers papegaai.

Luister: VluchtroepXC687334

Opname: Derek Engelbrecht — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 23 cm, met een korte staart. Kop en keel zijn grijsbruin, de oorstreek iets zilvergrijs; de rest van het lichaam is donker grijsbruin. De vleugelbocht, de ondervleugeldekveren en de dijen zijn helder geel. Het mannetje heeft een grijsbruine stuit en buik met hooguit een zweem blauw. Het vrouwtje heeft een helderblauwe onderrug, stuit, buik en onderstaartdekveren, wat in vlucht en bij zittende vogels opvalt. De snavel is donkergrijs, de iris oranjerood. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met blauw op stuit en buik, maar missen het geel op de vleugelbocht.

Verwarrings­soorten

De Meyers papegaai (Poicephalus meyeri) is bruiner, vaak met een gele kruinband, en heeft een blauwgroene tot turquoise buik en stuit bij beide seksen, zonder gele dijen. De twee soorten komen samen voor in het noorden van Namibië, waar hybriden met tussenkenmerken voorkomen. De perzikkopagapornis (Agapornis roseicollis), die in hetzelfde gebied leeft, is kleiner en groen met een roze gezicht.

Leefgebied

Droog bosveld en doornveld, vooral de hoge bomen langs droge rivierbeddingen, zoals anaboom (Faidherbia albida), wilde vijgen en mopane, en bosveld rond waterplaatsen en pannen. Eet zaden, vruchten, noten, bloemen en nectar, en peulen van acacia's. Drinkt dagelijks. Nestelt in holten in bomen, vaak in oude spechtengaten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor het gebied: het noordwesten en noorden van Namibië, van het Kaokoveld en Damaraland via Etosha en het Waterberg-plateau tot de Ovambo-vlakte en de westelijke Kavango, en het zuidwesten van Angola, van de provincie Namibe en Huíla tot Cunene en Benguela. De soort komt nergens anders ter wereld voor.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de ochtend langs de droge rivierbeddingen van het Kaokoveld en Damaraland, rond Kamanjab en Opuwo, en in bosveld aan de westkant van Etosha en rond het Waterberg-plateau. Waterplaatsen, waar groepen komen drinken, geven de beste kans op zittende vogels. Let bij groepen op het verschil tussen de blauwe vrouwtjes en de dof gekleurde mannetjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de wereldlijst, maar met een klein wereldareaal. De soort werd in de twintigste eeuw sterk bejaagd voor de kooivogelhandel, wat in Namibië tot een verbod op export heeft geleid. Verlies van oude holtebomen door kap voor brandhout en droogte kan de nestgelegenheid beperken.

Wetenschappelijke naam

Poicephalus rueppellii | (Gray, 1849)

Gray beschreef de soort in 1849 als Psittacus Rüppellii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poicephalus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Poicephalus komt van het Griekse poikilos, 'bont, gevlekt', en kephale, 'kop' — naar de sterk contrasterende koptekening van deze papegaaien. rueppellii eert de Duitse ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker Eduard Rüppell (1794–1884). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië.