Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Bruinkoppapegaai

Bruinkoppapegaai | Poicephalus cryptoxanthus

Brown-Headed Parrot | Lorito Cabecipardo

De bruinkoppapegaai is een kleine, groene papegaai met een bruingrijze kop, een vogel van het warme laagveld in het oosten van zuidelijk Afrika. Hij valt vooral op door zijn hoge roepen en de heldergele ondervleugel wanneer een paar snel over het bosveld vliegt.

Bruinkoppapegaai (Poicephalus cryptoxanthus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, doordringend skwiek-skwiek en een hard tsjie-tsjie-tsjie, vooral in vlucht; zittend zachter gekwetter en fluitende tonen. De roep is scherper en schriller dan die van de Meyers papegaai.

Luister: RoepXC1038406

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 23 cm, met een korte staart en een grote kop. De kop en de nek zijn bruingrijs, de rest van het lichaam grasgroen, geler op buik en stuit; de mantel en de vleugeldekveren zijn wat donkerder olijfgroen. De ondervleugeldekveren zijn heldergeel, een kenmerk dat alleen in vlucht of bij strekkende vogels te zien is; op de vleugelbocht zit geen geel. De bovensnavel is licht blauwgrijs, de ondersnavel lichter; de iris is opvallend lichtgeel. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een donkere iris en een doffere, groenere kop.

Verwarrings­soorten

De Meyers papegaai (Poicephalus meyeri) is grotendeels bruin in plaats van groen, met gele schouders en vaak een gele kruinband, een blauwgroene buik en een oranjerode iris; hij leeft meer naar het westen, al overlappen de twee plaatselijk in Zimbabwe en Mozambique. De Kaapse papegaai (Poicephalus robustus) is veel groter, met een zware snavel en rode vlekken op vleugelbocht en dijen, en leeft in nevelwoud. De Nyasa-agapornis is veel kleiner, met een oranjeroze gezicht.

Leefgebied

Warm, laaggelegen bosveld en savanne: gemengd bosveld, acaciasavanne, mopaneveld en vooral het rivierbos met hoge bomen, zoals wilde vijgen, jakkalsbessie en ebbenhout. Eet zaden, vruchten, noten, bloemen en nectar, onder meer van boerboon en koraalbomen. Drinkt dagelijks. Nestelt in holten in bomen, vaak in oude spechten- of baardvogelgaten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het oosten van het gebied: het laagveld van Limpopo en Mpumalanga met het Krugerpark, het laagveld van Eswatini en het noordoosten van KwaZulu-Natal tot Ndumo, vrijwel heel Mozambique, het zuidoosten van Zimbabwe langs de Save en Limpopo, en het zuiden van Malawi. Daarbuiten langs de kust en in het binnenland van Tanzania tot het zuidoosten van Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het Krugerpark algemeen, vooral in het rivierbos langs de Sabie, Olifants en Luvuvhu; let op hoge roepen boven de boomtoppen en op de gele ondervleugels van overvliegende paren. Pafuri en het rivierbos rond Punda Maria geven goede kansen. Zittende vogels zijn door hun groene kleur moeilijk te zien; wacht bij vruchtdragende bomen en bij drinkplaatsen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het grootste deel van het areaal algemeen. Buiten beschermde gebieden verdwijnen oude bomen met nestholten, en de soort wordt plaatselijk gevangen voor de kooivogelhandel. In Zuid-Afrika is hij grotendeels afhankelijk van het Krugerpark en aangrenzende reservaten.

Wetenschappelijke naam

Poicephalus cryptoxanthus | (Peters, 1854)

Peters beschreef de soort in 1854 als Psittacus (Poiocephalus) cryptoxanthus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poicephalus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Poicephalus komt van het Griekse poikilos, 'bont, gevlekt', en kephale, 'kop' — naar de sterk contrasterende koptekening van deze papegaaien. cryptoxanthus komt van het Griekse kruptos, 'verborgen', en xanthos, 'geel' — naar het geel van de ondervleugel, dat pas in vlucht zichtbaar wordt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Inhambane, Mozambique.