Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Scharlaken wever
Scharlaken wever | Anaplectes rubriceps
Red-Headed Weaver | Tejedor Cabecirrojo Sureño
De scharlaken wever is een slanke, grotendeels insectenetende wever van loofbossen. Het broedende mannetje heeft een scharlakenrode kop en borst, een witte buik en een roze-oranje snavel. Het rafelige nest van twijgjes en bladstelen, met een lange ingangsbuis, is zo anders dan dat van andere wevers dat het vaak eerder opvalt dan de vogel.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een hoog, piepend en schurend gekwetter, tsjie-tsjie-tsjerrr-tsjirrr, van het mannetje bij het nest, en een dun, scherp tsiep als contactroep. Minder luidruchtig dan de meeste wevers.
Opname: James Apolloh Omenya — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm, slank, met een vrij lange, puntige, roze tot oranjerode snavel. Het mannetje in broedkleed heeft kop, keel, borst en mantel scharlakenrood, soms met een smal zwart masker rond het oog, een grijsbruine rug, donkere vleugels en staart waarvan de pennen geel tot oranje zijn gezoomd, en een zuiver witte buik en onderstaartdekveren. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd hebben een citroengele kop en borst, grijze bovendelen met geelgezoomde vleugelpennen, een witte buik en eveneens een roze-oranje snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met een doffere snavel. De vogel foerageert als een mees in het bladerdak.
Verwarringssoorten
De roodkopwever (Quelea erythrops) heeft bij het mannetje ook een rode kop, maar een donkere snavel, een bruin gestreepte rug en een geelbruine onderzijde, en leeft in grasland en moerassen. Het broedende mannetje van de roodbekwever (Quelea quelea) heeft een rode snavel met vaak een zwart masker en een gestreepte bruine rug. De kardinaalwever (Quelea cardinalis) is kleiner, met een donkere snavel en gestreepte bovendelen. Het gele vrouwtje kan aan een gele wever doen denken, maar de roze snavel, de grijze rug en de zuiver witte buik zijn doorslaggevend.
Leefgebied
Miombo, mopaneveld en ander loofbos, ook rivierbos, droge bosvelden en tuinen met hoge bomen; mijdt dicht doornveld en gesloten woud. Broedt solitair of in kleine groepen; het nest hangt onder een tak, aan de dakrand van een gebouw of zelfs aan een telefoondraad. Eet vooral insecten en rupsen, weinig zaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied in Angola, het noorden van Namibië (van Kaokoveld en Owambo tot de Zambezi-regio), het noorden en oosten van Botswana, Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique, het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, het laagveld van Mpumalanga en het noorden van KwaZulu-Natal) en het oosten van Eswatini. Daarbuiten tot in het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania; verder noordelijk wordt de soort vervangen door de noordelijke scharlaken wever (Anaplectes leuconotos), die vaak als dezelfde soort wordt behandeld.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in het Krugerpark, in het Zimbabwaanse laagveld en in miombo in Zambia naar het typische nest: een warrig ogende zak van twijgjes en bladstelen met een tot 20 cm lange ingangsbuis naar beneden, soms onder de dakrand van een rustkamp. Het rode mannetje hangt vaak ondersteboven aan het nest. In gemengde foerageergroepen in het bosveld is de vogel ook goed te vinden aan zijn mezenachtig gedrag.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Vrij algemeen in geschikt bosveld; kan plaatselijk achteruitgaan door houtkap en het verdwijnen van miombo, maar gebruikt ook tuinen en gebouwen voor het nest.
Wetenschappelijke naam
Anaplectes rubriceps | (Sundevall, 1850)
Sundevall beschreef de soort in 1850 als Ploceus (Hyphanthornis) rubriceps; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anaplectes werd in 1863 ingevoerd door Reichenbach. Anaplectes komt van het Griekse anaplekō, 'omvlechten, vlechten' (vergelijk ana, 'met', en het geslacht Symplectes), naar de geweven nesten van deze wevers. rubriceps komt van het Latijnse ruber, 'rood', en -ceps, 'gekopt' — naar de rode kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mohapoani, Witfonteinberge, provincie Noordwest, Zuid-Afrika.


