Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Streepkopwaaierstaart

Streepkopwaaierstaart | Tychaedon quadrivirgata

Bearded Scrub Robin | Alzacola Bigotudo

De streepkopwaaierstaart is de waaierstaart van dicht struikgewas en droog bos in het laagveld van het oosten van het gebied. Met zijn zwart-wit gestreepte kop en warm oranje flanken is hij de kleurigste van de groep, en zijn rijke, luide zang is een kenmerkend geluid van het bosveld.

Streepkopwaaierstaart (Tychaedon quadrivirgata)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een rijke, luide reeks van gevarieerde fluitfrasen, vaak met herhaalde motieven en imitaties van andere vogels, zoals tsjie-tsjoe-tsjie-tsjoewie, gezongen vanaf een hoge, verborgen plek in een boom boven het struikgewas. Hij zingt vooral in de broedtijd, van september tot januari, en ook in de hitte van de dag. De alarmroep is een hard tsjrr of tsjik-tsjik.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Een middelgrote waaierstaart van 17 cm. De bovenzijde is bruin met een rossige stuit en bovenstaartdekveren. De kop heeft een brede witte wenkbrauwstreep met daarboven een zwarte kruinzijstreep, een zwarte oogstreep, een witte keel en een zwarte baardstreep: vier donkere strepen, waar de wetenschappelijke naam quadrivirgata op doelt. Op de vleugel twee smalle witte streepjes. Borst en flanken zijn oranjegeel, de buik wit. De staart is zwartachtig met witte toppen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De baardwaaierstaart (Tychaedon barbata) is erg gelijkend, maar donkerder en olijfkleuriger van boven, met een bredere zwarte baardstreep en rijker oranje op de borst; hij leeft in miombo en overlapt alleen plaatselijk in Malawi, Zambia en Mozambique. De witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys) heeft een gestreepte borst en leeft in open savanne. De bruine waaierstaart (Tychaedon signata) is donkerder en grijzer van onderen, zonder oranje, en leeft op de bosbodem. Let op habitat en verspreiding.

Leefgebied

Dicht struikgewas, zandbos, droog laaglandbos en oeverbos, en ondergroei van mopane- en gemengd bosveld op laaggelegen plaatsen, vaak rond termietheuvels met dichte struiken. Foerageert op de grond door strooisel en langs de rand van het struikgewas op insecten, spinnen en andere ongewervelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in Mozambique, het oosten en noorden van Zimbabwe (Zambezidal en laagveld), het oosten van Zambia (Luangwadal), het zuiden van Malawi, het noorden van Botswana (Okavango en Chobe) en de Caprivi in Namibië, en in Zuid-Afrika in het laagveld van Limpopo en Mpumalanga (Kruger) en Maputaland in het noorden van KwaZulu-Natal, verder in Eswatini. Buiten het gebied langs de oostkust van Afrika noordwaarts tot Kenia en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het Kruger zijn Punda Maria, Pafuri en het rivierbos langs de Sabie goede plekken; in Maputaland het zandbos van Mkhuze en Tembe. Luister naar de luide zang en zoek hoog in de boom, niet in de struiklaag. In het Okavango-gebied is hij talrijk in het oeverbos rond eilanden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en de populatie is stabiel. Kap van droog laaglandbos en zandbos voor houtskool en landbouw in Mozambique en Maputaland bedreigt lokale populaties.

Wetenschappelijke naam

Tychaedon quadrivirgata | (Reichenow, 1879)

Reichenow beschreef de soort in 1879 als Thamnobia quadrivirgata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tychaedon werd in 1917 ingevoerd door Richmond. Tychaedon combineert het Griekse tukhē, 'toeval, geluk', met aēdōn, 'nachtegaal, zangeres'; de naam verving in 1917 het al vergeven Aedonopsis. quadrivirgata is Latijn voor 'met vier strepen', van quadri-, 'vier', en virgatus, 'gestreept' — naar de strepen op de kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kipini, benedenloop van de Tana, Kenia.