Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Taboragraszanger
Taboragraszanger | Cisticola angusticauda
Long-Tailed Cisticola | Cistícola Colifino
De Taboragraszanger is een kleine, slanke cisticola met een roodbruine kap en een opvallend lange, dunne staart, die in het gebied alleen in het noorden en oosten van Zambia voorkomt. Hij is in feite een langstaartige tegenhanger van de bruinkopgraszanger, en de beide soorten worden in het veld gemakkelijk verward.
Geluid
Een hoog, piepend liedje, een reeks dunne, snel herhaalde tonen, tsie-tsie-tsie-tsie of sie-sie-sie, vergelijkbaar met dat van de bruinkopgraszanger maar hoger en ijler. De alarmroep is een droog tsik of een snel tik-tik-tik.
Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 11–12 cm, waarvan een groot deel staart. De kruin is warm roodbruin, de mantel en rug zijn grijsbruin en vrijwel ongestreept of slechts heel vaag gestreept. De staart is lang, smal en getrapt, grijsbruin met een donkere subterminale band en lichte punten, en wordt vaak omhoog gehouden of heen en weer gezwaaid. De vleugelranden zijn bruin. De onderdelen zijn wit tot licht grijsbeige, warmer op de flanken. De seksen zijn gelijk en de kleden verschillen nauwelijks per seizoen. Zingt vanaf een grashalm, struikje of lage tak.
Verwarringssoorten
De bruinkopgraszanger Cisticola fulvicapilla heeft dezelfde roodbruine kap en effen rug, maar een duidelijk kortere, bredere staart; zijn liedje is een eentonig, lager gepiep. Waar beide voorkomen, is de verhouding tussen staart en lichaam het beste kenmerk. De kortvleugelgraszanger Cisticola brachypterus heeft een bruine, niet roodbruine kruin en een korte staart. De langstaartgraszanger Cisticola aberrans is groter, leeft op rotsige hellingen en zingt klaaglijk. De roestflankprinia Prinia subflava heeft ook een lange staart, maar een duidelijke witte wenkbrauwstreep, geen rode kap en roestbruine flanken.
Leefgebied
Droog, grazig bosveld en open miombo met een lage graslaag, struikrijk grasland, verlaten akkers en de randen van dambo's. Foerageert laag in het gras en in struikjes op kleine insecten. Het nest is een bal van gras laag in een grasbos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied vrijwel alleen in Zambia, vooral op de hoogvlakte van het noorden en in het oosten, zuidwaarts tot het midden van het land. Er zijn enkele meldingen uit het uiterste noorden van Malawi en het noordwesten van Mozambique, maar daar is de soort niet goed gedocumenteerd. Buiten het gebied in het zuidoosten van de DR Congo, Tanzania (waar het plaatsje Tabora de Nederlandse naam leverde), Rwanda, het zuidwesten van Kenia en het zuidoosten van Oeganda.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; het best in de regentijd, wanneer de mannetjes zingen. Zoek in grazige miombo en struikrijk grasland op de noordelijke hoogvlakte van Zambia, bijvoorbeeld rond Kasama, Mbala en Mpika. Luister naar een hoog, ijl gepiep dat aan de bruinkopgraszanger doet denken, en controleer dan de staart: lang en dun betekent Taboragraszanger.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in zijn areaal vrij algemeen. Binnen het gebied beperkt tot Zambia, waar hij weinig last lijkt te hebben van het branden van grasland en de omzetting van bosveld in kleinschalige landbouw.
Wetenschappelijke naam
Cisticola angusticauda | Reichenow, 1891
Reichenow beschreef de soort in 1891 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. angusticauda komt van het Latijnse angustus, 'smal', en cauda, 'staart' — naar de lange, smalle staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Igonda bij Tabora, Tanzania.

