Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Temmincks renvogel
Temmincks renvogel | Cursorius temminckii
Temminck's Courser | Corredor Etiópico
Temmincks renvogel is een kleine, rechtop staande renvogel van kort grasland en pas afgebrand terrein, met een roestbruine kruin, een zwart-witte streep achter het oog en een zwarte vlek op de buik. Hij is overdag actief en rent in korte sprints over de kale grond, afgewisseld met plotseling stilstaan.
Geluid
Een schraperig, metaalachtig kerr-kerr of err-err, vooral in de vlucht, en een zacht tjiek bij het opvliegen.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–21 cm. Kruin warm roestbruin, met daaronder een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep die in de nek samenkomen tot een V. Bovendelen egaal grijsbruin, keel wit, borst en flanken warm kaneelbruin, overgaand in een grote zwarte vlek midden op de buik; onderbuik en onderstaartdekveren wit. De korte snavel is zwart en licht gebogen, de lange poten zijn witachtig. In de vlucht zijn de handpennen en de ondervleugels zwart, zonder wit in de vleugel. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bleker, met fijne lichte schubben op de rug en een vage buikvlek.
Verwarringssoorten
De rosse renvogel Cursorius rufus is iets groter en bleker, met een blauwgrijze achterkruin, een smalle zwart-witte band op de buik in plaats van een zwarte vlek en een witte achterrand aan de armpennen in de vlucht; hij leeft vooral in het droge westen. De dubbelbandrenvogel Smutsornis africanus heeft een geschubde rug en twee smalle zwarte borstbanden.
Leefgebied
Kort, droog grasland, open savanne met kale plekken, overbegraasde weiden, vliegvelden, braakliggende akkers en vooral pas afgebrand terrein, waar hij vaak binnen enkele dagen na een brand in groepjes verschijnt. Eet kevers, termieten, sprinkhanen en andere insecten, die hij na een korte sprint oppikt. De twee eieren liggen op de kale grond, vaak tussen verkoolde resten of keutels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Verspreid over het grootste deel van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, het noorden en oosten van Namibië, Eswatini en in Zuid-Afrika vooral in het noorden en oosten, van Limpopo en Mpumalanga tot KwaZulu-Natal, Vrijstaat, Noordwest en de Oost-Kaap; schaars in de Noord-Kaap en afwezig in de West-Kaap. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Kenia.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de late winter en het vroege voorjaar naar pas afgebrande stukken grasland of savanne, bijvoorbeeld in het Krugerpark of de reservaten van het hoogveld; de vogels verschijnen daar vaak al een dag na een brand. Rijd langzaam langs de rand en let op kleine, rechtop staande vogels die plots wegrennen en weer stilstaan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in het grootste deel van het areaal vrij algemeen, maar sterk nomadisch en daardoor plaatselijk onvoorspelbaar. Verlies van grasland aan landbouw en bebouwing speelt lokaal een rol; het beheer met branden en begrazing schept juist geschikt leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Cursorius temminckii | Swainson, 1822
Swainson beschreef de soort in 1822 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cursorius werd in 1790 ingevoerd door Latham. Cursorius komt van het Latijnse cursor 'hardloper', van currere 'rennen', naar de gewoonte om over open, droge grond achter insecten aan te draven. temminckii eert de Nederlandse zoöloog Coenraad Jacob Temminck (1778–1858), eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (aangenomen; niet vermeld).


