Alle soorten › Steltloperachtigen › Grielen › Watergriel

Watergriel | Burhinus vermiculatus

Water Thick-Knee | Alcaraván Acuático

De watergriel is een grijsbruine griel van rivier- en meeroevers, overdag verscholen in de schaduw van oeverstruiken en 's nachts actief. Zijn weemoedige, wegstervende fluitreeks is een vertrouwd nachtgeluid langs de Zambezi, de Okavango en de Kruger-rivieren.

Watergriel (Burhinus vermiculatus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een melancholieke, dalende reeks fluittonen, ti-ti-ti-tie-tie-tieu-tieu-tieuw, trager en droeviger dan bij de Kaapse griel, vooral 's avonds en 's nachts, vaak afgewisseld tussen de vogels van een paar. Bij onraad een scherp kiew.

Luister: ZangXC1052415

Opname: Bernard BOUSQUET — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

38–41 cm. De bovendelen zijn grijsbruin, fijn donker gestreept en gevermiculeerd, niet gevlekt. Op de gesloten vleugel ligt een brede grijze vleugelband met daarboven een smalle witte streep en een zwarte rand. Het gele oog heeft een lichte wenkbrauw. De dikke snavel is zwart met een groenig gele basis; de poten zijn lang en groenig grijs tot vaalgeel. In de vlucht tonen de zwarte handpennen witte vlekken. De geslachten zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Kaapse griel Burhinus capensis is duidelijk gevlekt op de bovendelen, mist de grijze vleugelband met witte streep, heeft felgele poten en een gele snavelbasis, en leeft op droog, open terrein. Waar beide soorten samen voorkomen, bijvoorbeeld bij drinkplaatsen, geeft de vleugeltekening de doorslag.

Leefgebied

Oevers van rivieren, meren, dammen en lagunes, met zandbanken, kale modder en oeverstruiken waarin de vogel overdag rust; ook estuaria, mangroverand en rivierzandbanken, vaak samen met krokodillen. Foerageert 's nachts op insecten, schaaldieren, weekdieren en kleine kikkers. Het nest is een kuiltje in zand of grind dicht bij het water, soms naast een krokodillennest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het oosten en noorden van het gebied langs de grote rivieren en meren: Zuid-Afrika (vooral KwaZoeloe-Natal, Mpumalanga, Limpopo en de Oost-Kaap, westwaarts plaatselijk langs de Oranje), Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Botswana (Okavango en Chobe), noordoostelijk Namibië (Caprivi en Kunene), Zambia, Malawi en Angola. Ontbreekt in het droge westen en in het hoogland van Lesotho. Buiten het gebied oostelijk Afrika noordwaarts tot Ethiopië en Somalië, en westwaarts tot Gabon en Liberia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vaar of wandel in de vroege ochtend langs een rivieroever in de Okavango, bij Kasane of in het Kruger Nationaal Park en speur de schaduw onder oeverstruiken af; de vogel staat vaak stil tussen stenen of op een zandbank. Na zonsondergang is de roep over het water ver te horen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het hele areaal wijdverspreid. Plaatselijk ongunstig beïnvloed door verstoring van rivieroevers, recreatie en schommelingen in waterstand door dammen, die nesten op zandbanken kunnen overspoelen.

Wetenschappelijke naam

Burhinus vermiculatus | (Cabanis, 1868)

Cabanis beschreef de soort in 1868 als Oedicnemus vermiculatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Burhinus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Burhinus is Grieks, van bous 'rund' en rhis 'neus', naar de zware, brede snavelbasis. vermiculatus is Latijn voor 'fijn gewormd' — naar de fijne, golvende tekening op de veren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jipemeer bij Taita, Kenia.