Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Tinktinkgraszanger
Tinktinkgraszanger | Cisticola textrix
Cloud Cisticola | Cistícola Pinc-pinc
De tinktinkgraszanger is een piepkleine, kortstaartige graszanger van open, kort grasland, die vooral bekend is om zijn baltsvlucht: het mannetje stijgt zo hoog op dat hij vanaf de grond nauwelijks meer te zien is en zingt daar minutenlang rondcirkelend. Hij is vrijwel beperkt tot zuidelijk Afrika en is een van de vijf ‘wolkenkrabbers’ onder de graszangers, die vrijwel alleen op zang en baltsgedrag te onderscheiden zijn.
Geluid
De zang in de baltsvlucht is een korte reeks van drie à vier hoge, zuivere fluittonen gevolgd door een serie droge klikken, sie-sie-sie-tsjik-tsjik-tsjik, telkens herhaald terwijl het mannetje hoog in de lucht cirkelt. Bij de duik klinkt een versnellend tsjik-tsjik-tsjik-tsjik. Roep een scherp tink, waaraan de Nederlandse naam ontleend is.
Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 10 cm, gedrongen, met een opvallend korte staart en relatief lange, lichtroze poten. De kruin is bruin met fijne donkere streping, de rug en mantel zijn zwaar zwart gestreept op een bleek geelbruine ondergrond; de stuit is roestig bruin. De onderdelen zijn bleek beige tot vuilwit, bij de zuidwestelijke vorm (Westkaap) met duidelijke donkere streepjes op de borst, elders ongestreept. De staart heeft een zwart subterminaal vlekje en lichte punten. Buiten de broedtijd is de staart iets langer en de kop warmer bruin. De seksen zijn vrijwel gelijk. Het veldkenmerk is de baltsvlucht: hoog opstijgen tot in de wolken, zingend rondcirkelen en een loodrechte duikvlucht zonder vleugelgeklap, begeleid door een versnellende reeks droge tikken en pas vlak boven het gras afgebroken.
Verwarringssoorten
De dwerggraszanger Cisticola ayresii is nog kleiner, donkerder en zingt een eentonige reeks hoge fluittonen; zijn baltsvlucht gaat gepaard met luid, knallend vleugelgeklap, ook tijdens de duik. De bleekkopgraszanger Cisticola cinnamomeus leeft in natter grasland rond vleien; het mannetje heeft in de broedtijd een ongestreepte, bleke kaneelkleurige kruin en zwarte teugels. De Kalaharigraszanger Cisticola aridulus van droog, open grasland is bleker, heeft een langere staart en zingt met enkele zink-tonen in lage, golvende vluchten. De graszanger Cisticola juncidis kiest hoger, dichter gras en maakt een huppelende baltsvlucht met een ritmisch zit…zit…zit. Buiten de broedtijd, als de vogels zwijgen, is de soort vaak niet met zekerheid te benoemen.
Leefgebied
Open, kort grasland op de hoogvlakten en in heuvelland, graslanden op de kustvlakte en in het renosterveld van de Westkaap, oude braakliggende akkers en graslanden die kort worden gehouden door begrazing of branden. Mijdt hoog, dicht gras en struweel. Het nest is een bolvormig bouwsel met een zijingang, laag tussen de graspollen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vrijwel endemisch voor zuidelijk Afrika. In Zuid-Afrika in de laaglanden van de Westkaap, in de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, de Vrijstaat, Gauteng en Mpumalanga, verder in Lesotho en Eswatini, en plaatselijk in de kustvlakte van Zuid-Mozambique. Buiten dit gebied komt de soort niet voor; oudere opgaven uit Angola en Zambia hebben betrekking op de dambograszanger, die vroeger tot deze soort werd gerekend.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best van oktober tot februari op windstille, zonnige ochtenden, wanneer de mannetjes baltsen; in de Westkaap al vanaf augustus. Kijk niet naar het gras maar naar de hemel en luister naar het tinkelende ritme: het mannetje hangt vaak zo hoog dat alleen de verrekijker hem vindt. Volg de duik tot het landingspunt; daar komt de vogel vaak even op een graspol zitten. In de winter zijn de zwijgende vogels, samen met dwerg- en Kalaharigraszangers, meestal niet op naam te brengen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen in geschikt grasland, maar de omzetting van grasland en renosterveld in akkers, bosaanplant en bebouwing heeft het leefgebied, vooral in de Westkaap en op het Hoogveld, sterk versnipperd.
Wetenschappelijke naam
Cisticola textrix | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia textrix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. textrix is Latijn voor 'weefster', naar het kunstig uit grassen geweven nest. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapprovincie, Zuid-Afrika (niet nader bepaald).


