Alle soorten › Zangvogels › Elfvliegenvangers › Turkooiskuifvliegenvanger

Turkooiskuifvliegenvanger | Elminia longicauda

African Blue Flycatcher | Elminia Azul

De turkooiskuifvliegenvanger is een klein, helder hemelsblauw vogeltje met een lange, trapvormige staart die hij voortdurend spreidt en heen en weer zwaait. Het is een wijdverbreide soort van West- en Centraal-Afrika die in het behandelde gebied alleen het noorden van Angola bereikt.

Turkooiskuifvliegenvanger (Elminia longicauda)
Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een levendige, tjirpende en fluitende zang van korte, hoge noten, tsie-tsie-tswie, vaak in een snelle reeks. Contactroep een scherp tsip. Paren en familiegroepjes roepen veel en verraden zich zo in het gebladerte.

Luister: RoepXC975051

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–17 cm, waarvan ruim de helft staart. Vrijwel geheel licht azuur- tot turkooisblauw, van boven iets dieper van tint, met een korte, vaak opgezette kuif. De teugel is zwart en vormt een smalle donkere streep voor het oog. Buik en onderstaartdekveren zijn witachtig. De lange, getrapte staart is blauw met donkere schachten en wordt telkens gewaaierd, terwijl de vogel met hangende vleugels door het bladerdak schiet. Snavel en poten zijn zwart. Seksen gelijk; jonge vogels zijn doffer en grijzer.

Verwarrings­soorten

De witstaartkuifvliegenvanger Elminia albicauda is donkerder leiblauw, met veel wit in de buitenste staartpennen en een grijzere onderzijde; de twee raken elkaar in Angola nauwelijks. De Afrikaanse paradijsmonarch Terpsiphone viridis is groter, met een zwarte kop, een roestbruine of witte rug en, bij het mannetje, zeer lange middelste staartpennen. De blauwgrijze vliegenvanger Fraseria caerulescens is dof grijs zonder kuif en met een korte staart.

Leefgebied

Bosranden, open plekken in bos, galerijbos langs rivieren, oude aanplant en tuinen met hoge bomen, en boomrijke savanne. Foerageert in het middelste en bovenste deel van het bladerdak en vangt insecten in korte, fladderende vluchtjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het noorden en noordwesten van Angola, van Cabinda en de provincies Zaire en Uíge zuidwaarts tot Cuanza Norte en Malanje, en oostwaarts in Lunda. Daarbuiten van Senegal oostwaarts door West- en Centraal-Afrika tot Oeganda, westelijk Kenia en noordwestelijk Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bosranden en boomrijke dorpstuinen in het noorden van Angola, bijvoorbeeld rond Uíge en Kalandula. Let op een blauwe flits en een staart die zijdelings wordt uitgewaaierd; het vogeltje zit zelden lang stil. Het geroep is het beste aanknopingspunt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverbreid en in geschikt leefgebied algemeen. De soort verdraagt verstoord bos, aanplant en tuinen goed. In Angola is weinig bekend over aantallen, maar er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Elminia longicauda | (Swainson, 1838)

Swainson beschreef de soort in 1838 als Myiagra longicauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Elminia werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Elminia is genoemd naar St Georges d'Elmina, een havenplaats aan de voormalige Nederlandse Goudkust (het huidige Ghana). longicauda is Latijn voor 'langstaartig', van longus, 'lang', en cauda, 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (oorspronkelijk abusievelijk 'Nieuw-Holland').