Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Wenerastrild

Wenerastrild | Pytilia afra

Orange-Winged Pytilia | Estrilda Alinaranja

De wenerastrild is de pytilia van miombo en breedbladig bosveld, herkenbaar aan het oranje vleugelpaneel. Hij is de waardvogel van de breedstaartparadijswida en is minder algemeen en onopvallender dan de verwante Melba-astrild.

Wenerastrild (Pytilia afra)
Foto: Timothy Whitehead — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, klaaglijk fluitje, siieh, soms in dubbele toon, en een kort tsjik. De zang is een reeks fluittonen, trillers en kwetternoten, eenvoudiger dan die van de Melba-astrild. Mannetjes van de breedstaartparadijswida bootsen deze zang na.

Luister: RoepXC200765

Opname: Thibaut Chansac — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm, met een korte, rode kegelsnavel. Het mannetje heeft een scharlakenrood masker over voorhoofd, teugel, wangen en kin, een grijze kruin, nek en keel en een olijfgoudkleurige rug; de slagpennen en grote dekveren hebben brede oranje zomen, zodat de gesloten vleugel oranje oogt. De borst is olijfgeel, de buik grijs en wit gebandeerd; stuit en staart zijn donkerrood. Het vrouwtje mist het rode masker, is grijzer op kop en borst en heeft een doffer oranje vleugel. Jonge vogels zijn egaal grijsolijf met een oranje zweem in de vleugel.

Verwarrings­soorten

De Melba-astrild (Pytilia melba) heeft groene vleugels zonder oranje; bij het mannetje loopt het rood over de keel tot op de bovenborst en de snavel is langer. Het vrouwtje van de Melba-astrild is tot op de borst gebandeerd. De Melba-astrild leeft vooral in droog doornveld, de wenerastrild in breedbladig bosveld; in overgangsgebieden komen ze samen voor. De vleugelkleur beslist altijd.

Leefgebied

Miombo, mopane en gemengd breedbladig bosveld met dichte struiken en ruig gras, randen van oeverbos en struweel langs kleine beken. Leeft teruggetrokken in paren of kleine groepen en foerageert op de grond aan de rand van dekking naar graszaden en termieten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Zambia, Malawi, Zimbabwe (vooral het noorden, oosten en de Zambezivallei), het midden en noorden van Mozambique en het noorden en midden van Angola; schaars in het noorden van Botswana (Chobe), de Zambezi-regio van Namibië en de noordoostelijke lowveld van Zuid-Afrika (noordelijk Kruger en Limpopo). Daarbuiten van het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania noordwaarts tot Kenia, Oeganda, Zuid-Soedan en Ethiopië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zimbabwe en Zambia het best in de regentijd, wanneer mannetjes vanaf een lage tak zingen en breedstaartparadijswida's in broedkleed in dezelfde struiken rondhangen. In Zuid-Afrika geldt de omgeving van Pafuri in het noorden van Kruger als de meest betrouwbare plek. Laat vogels opvliegen: het oranje vleugelpaneel en de rode stuit zijn in de vlucht het duidelijkst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid maar meestal schaars en onopvallend. In Zuid-Afrika aan de rand van het areaal en daar zeldzaam. Wordt geparasiteerd door de breedstaartparadijswida.

Wetenschappelijke naam

Pytilia afra | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla afra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pytilia werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Pytilia is een verkleinvorm van Pitylus, een door Cuvier ingevoerde geslachtsnaam voor dikbekken — dus 'kleine dikbek'. afra is Latijn voor 'Afrikaans', van Afer, 'Afrikaan'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.