Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Witbandkanarie

Witbandkanarie | Crithagra leucoptera

Protea Canary | Serín de las Proteas

De witbandkanarie is een endemische, onopvallend bruine kanarie van het bergfynbos van de West-Kaap, met een zwarte kin, een bleke snavel en twee smalle witte vleugelstrepen. Hij leeft vooral van zaden van suikerbossen (Protea) en is schaarser en schuwer dan de meeste andere kanaries.

Witbandkanarie (Crithagra leucoptera)
Foto: Justin Ponder — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een rijke, heldere en gevarieerde zang van fluitende en rollende tonen, met imitaties van andere vogels, van de top van een suikerbos. De roep is een zacht tsjiep en een oplopend trie-lie-loe.

Luister: ZangXC400385

Opname: Tony — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Egaal donker grijsbruin van boven met vage streping op de kruin; de onderdelen zijn bleker grijsbruin en op de buik witachtig. Een kleine zwarte kinvlek wordt begrensd door een witte keel. Twee smalle witte vleugelstrepen zijn bij zittende vogels goed te zien. De snavel is vrij zwaar en bleek roze tot hoornkleurig. Er is geen gele stuit. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn fijn gestreept en missen de zwarte kin.

Verwarrings­soorten

De streepkopkanarie (Crithagra gularis), die in het oosten van het areaal voorkomt, heeft een brede witte wenkbrauw, geen zwarte kin en geen vleugelstrepen. De witkeelkanarie (Crithagra albogularis), die in het droge noorden van het areaal kan overlappen, heeft een geelgroene stuit, een zeer zware snavel en geen zwarte kin. Vrouwtjes van de grijsnekkanarie (Serinus canicollis) en de Kaapse kanarie (Crithagra totta) zijn groener en tonen geel in vleugel of staart. Bleke snavel, zwarte kin en witte vleugelstrepen samen zijn beslissend.

Leefgebied

Bergfynbos met dichte bestanden van hoge suikerbossen, vooral op koelere hellingen, dicht struikgewas in ravijnen en langs beekjes, en fynbos na brand zodra er weer volgroeide suikerbossen staan. Eet vooral zaden uit oude suikerboskoppen, verder knoppen, bloemen, vruchten en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch in het gebied: de bergen van de West-Kaap, van de Cederberg via de Kaapse plooiketen tot de Swartberg en de Kammanassie, en verder oostwaarts tot in het westen van de Oost-Kaap (Baviaanskloof, Kouga). Nergens anders.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in ongebrand bergfynbos met hoge suikerbossen, bijvoorbeeld in de Cederberg, op Paarl Mountain of in de Swartberg. De vogel zit vaak laag en verscholen; hij is het best te vinden door op de zang te letten en dan te wachten bij suikerbossen met oude zaadkoppen. Na grote branden kan hij jarenlang uit een gebied verdwijnen.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort heeft een klein verspreidingsgebied en is afhankelijk van volgroeide suikerbossen; te frequente veldbranden, de uitbreiding van boomgaarden en wijngaarden en invasieve uitheemse bomen tasten het leefgebied aan. Klimaatverandering kan het areaal verder doen krimpen.

Wetenschappelijke naam

Crithagra leucoptera | Sharpe, 1871

Sharpe beschreef de soort in 1871 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. leucoptera komt van het Griekse leukos, 'wit', en pteron, 'vleugel' — naar de twee witte vleugelstrepen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paarl, West-Kaap, Zuid-Afrika.